Ik ben een sardientje op een nauwe trap naar de oostelijke onderdoorgang van het Centraal Station in Amsterdam. Aan mijn linkerkant drukt de schouder van een vroegoude veertiger me opzij. Ik probeer mijn koers recht te houden, maar het lukt niet en na vijf treden zet hij zijn voet voor de mijne en moet ik me inhouden. Mensen botsen van achteren tegen me aan en mopperen binnensmonds. Ik concentreer me op de scholiere met brede heupen aan mijn rechterkant, die ook voor me langs moet. We overleven het en vijf treden later bevind ik me in een logge massa die zich door de smalle tunnel naar de voorkant van het station verplaatst. Een oude mevrouw met een rolkoffertje staat tien meter verderop naar ons te kijken. Vanuit mij bezien staat ze in een lege doorgang, achter haar is er maar één persoon, een zwierige man met een lange jas. Maar zij kijkt op haar beurt naar een aanstormende mensenmassa. Ze slaat haar ogen neer, kromt haar rug en drukt zich voorzichtig met haar koffertje tegen de muur, juist op de plek waar de zwierige man een gaatje ziet. Hij rent met een beker koffie in zijn hand, hij rent waarschijnlijk vanwége de koffie in zijn hand, vond al dat de dame achter de kassa veel te langzaam was, overwoog om uit de rij te stappen, maar was toen net aan de beurt en moet nu alsnog rennen. Met zijn koffie. En nu staat er ineens een oud mevrouwtje in de weg. Hij remt. De koffie remt niet mee. De oude vrouw, beducht op een clash met die vormloze meute vóór haar, wordt nu van achteren geraakt. Ik let op de beker koffie, kiest de man voor zijn koffie, voor de vrouw, die dreigt te vallen, of allebei? Hij gaat voor allebei. Grijpt met zijn vrije hand de oude vrouw onder de oksel, en steekt de koffie in de lucht, als een zojuist veroverde wereldcup. Ik hou mijn pas in. Zie alleen nog het bekertje. Er zit een dekseltje op. Een wit dekseltje, met een drinkgaatje. Uit het gaatje spuit een straaltje bruine koffie de lucht in. Alles vertraagt. Een sierlijke boog, de fonteinen bij het Mirage hotel in Las Vegas. Dan omlaag, omlaag. En flats, op de strakke spijkerbroek van een meisje met veel haarlak in de krullen. Haar ogen spuwen vuur, ze draait richting de man en zet zich schrap. Ze doet haar mond open. Tegelijk. De oude vrouw kijkt naar hem op, dankbaar, zo dankbaar, een rots is hij voor haar, een rots om te schuilen tegen de vloed van ons, de forensen. Alles versnelt. Een por in mijn rug. Een diepe zucht van de vrouw met de grijze huid. Ze heeft de OV-chipkaart al in de hand. Ik laat me meevoeren. Meevoeren, meevoeren. Ik stroom mee op de deining van de voorspelbare massa. Als de metrodeur achter me dicht gaat, haal ik diep adem. Nog drie haltes.
Vrijdagochtend
Geplaatst op 21.11.09
Do
9 maanden geleden
Wow! Wat een ritme! Ik ging steeds sneller lezen. Goed man.
D.
9 maanden geleden
Ik vind jou best wel een held. Vanwege dat schrijven enzo. Waarom ben jij niet wereldberoemd? Mulisch, eat your heart out, zeg ik.