Lieve pap
Nu, vijf jaar na die nacht, ben je dichter bij me dan ooit. Je praat met me als ik slaap. Je praat met me als ik wakker ben. Soms in beelden, soms in woorden. Je hebt je kanalen gevonden. Ik praat terug nu, omdat ik dat nu durf, en we zijn aan elkaar gewaagd. Ik durf je weer terecht te wijzen met milde spot en merk dat je dat lachje nog niet kwijt bent, en dat eindeloze incasseringsvermogen. Ik ben blij dat je er weer bent, pap, want ik ben al die jaren bang geweest. Bang om voor gek versleten te worden, om mijn dromen en om mijn gesprekken, maar ook bang voor je oordeel. Dat was natuurlijk mijn eigen oordeel. Het is niet snel goed in mijn ogen.
Mijn ogen zijn veranderd.
Ik zie mezelf in mededogen, nu. Dat is een begin. Daardoor zullen mijn ogen iets meer staan als die van jou. Dat moet haast wel. Want ik lijk op je, dat durf ik nu te zeggen. Ik zie weleens iemand lopen die op je lijkt. Dat is altijd een mannetje, want dat was jij, een mannetje. Klein, licht, grijs en twinkelend. Zo een die niet uit de klei was getrokken, maar er op neer was gezet, voorzichtig, tussen duim en wijsvinger, tot je voeten net aan de grond raakten. De zware grond trok aan je, maar kreeg geen houvast.
Je leek altijd een beetje te zweven. En daardoor kon je met meer lichtheid kijken naar de mensen om je heen. Ook naar mij. Ik denk dat ik dat even vergeten was, de afgelopen vijf jaar. Ik voelde dat je mee keek, en ik dacht dat je oordeelde. Maar nu weet ik het weer. Je oordeelde niet zo snel. Ik weet ook dat je nog steeds veel te vertellen hebt. Dat je het liefste nog elke dag even met de knokkel van je wijsvinger op de houten tafel klopt, om te vertellen hoe het allemaal zit. Dat je nu dood bent, verandert daar niets aan. Het maakt alleen dat je nĂłg iets meer overtuigd bent van je gelijk: ‘Ja, hállo, wie is hier nu dood, en heeft het overzicht?’ Ik hoor het je zeggen. Maar ik hoor je ook andere dingen zeggen. Zachtere dingen. Dingen die er toe doen in een mensenleven. Je hebt je om mij nooit veel zorgen gemaakt, zei je eens, toen je nog leefde. En dat zeg je nu nog steeds. Eindelijk voel ik het.
Ik heb mijn weg gevonden. Opnieuw. Ik blijf hem vinden. Steeds weer. Want elke dag is nieuw en niets blijft hetzelfde.
We hebben vanavond mama’s befaamde goulash gegeten. Er was weer veel te veel en het was weer veel te heet. Je vier kleindochters maakten veel lawaai en mama had alles strak in de hand, tot de gezichtjes in de yoghurt aan toe. Het gaat goed met haar, pap, echt goed. Je zult daarboven wel trots op haar zijn. Ik ben het hier beneden in ieder geval wel.
Ik wil je bedanken pap. Voor die zetjes in de goede richting. Zoals je ooit in je hemelsblauwe windjack in het schrale schijnsel van oude lichtmasten mij en veertien andere pubers leerde hoe het mooie voetbalspel gespeeld moest worden, zo duw je me nu richting mezelf, fluister je: je weet het wel. Hoe je dat doet, dat weet ik niet. Maar het klopt. Ik weet het wel. En ik durf het steeds meer.
Ik heb zojuist warme chocolademelk gemaakt. Zoals jij dat altijd voor ons deed. Echte cacao en iets te veel suiker. En melk uit een steelpannetje. Het lukte ook mij niet om het vliesje in de pan te houden. Ik zag ‘m in de beker floepen en ik glimlachte. ‘Barst’, zei je dan altijd. En je nam de beker met het vliesje zelf. Dat doe ik nu ook. Ik neem het vliesje en ik neem de warmte. De warmte van je mededogen.
In liefde,
Ralph



Milouska
2 jaaren geleden
Hier s chrijft een gezegend man.
Maureen
2 jaaren geleden
Do not stand at my grave and weep,
I am not there, I do not sleep.
I am a thousand winds that blow.
I am the diamond glint on snow.
I am the sunlight on ripened grain.
I am the gentle autumn rain.
When you wake in the morning hush,
I am the swift, uplifting rush
Of quiet birds in circling flight.
I am the soft starlight at night.
Do not stand at my grave and weep.
I am not there, I do not sleep.
Do not stand at my grave and cry.
I am not there, I did not die!
Do not stand at my grave and weep.
I am not there, I do not sleep.
I am the song that will never end.
I am the love of family and friend.
I am the child who has come to rest
In the arms of the Father
who knows him best.
When you see the sunset fair,
I am the scented evening air.
I am the joy of a task well done.
I am the glow of the setting sun.
Do not stand at my grave and weep.
I am not there, I do not sleep.
Do not stand at my grave and cry.
I am not there, I did not die!
Ton
2 jaaren geleden
jasper van der lugt
2 jaaren geleden
The Ship
I am standing upon the seashore.
A ship at my side spreads her white sails in the morning breeze and starts for the blue ocean.
She is an object of beauty and strength and I stand and watch until at last she hangs like a speck of white cloud just where the sea and sky come down to mingle with each other.
Then someone at my side says, there she goes!”
Gone Where? Gone from my sight… that is all.
She is just as large in mast and hull and spar as she was when she left my side and just as able to bear her load of living freight to the place of destination.
Her diminished size is in me, not in her.
And just at the moment when someone at my side says, “There she goes!,” there are other eyes watching her coming and other voices ready to take up the glad shout, “There she comes!”
Maaike
2 jaaren geleden
Dit is zo mooi geschreven zeg. En als ik dit lees besef ik, dat ik hem ook zo mis, mijn paps. En dat het leven nooit simpelweg doorgaat
Debby
2 jaaren geleden
Wauw.
Ik moest huilen..