Tot het er staat

Geplaatst op 28.11.09

5


Ik ben gefascineerd door schrijvers. Al sinds ik lezen kan, ben ik benieuwd hoe die de dagen zo’n beetje doorkomen. Hoe ze tot schrijven komen. Dus ik volg ze. Op TV, in tijdschriften en kranten, ik verslind hun weblogs. Op die manier ontstond een beeld. Een beeld dat ik naast mijn oude romantische idee kan leggen.
Bij grote schrijvers stel ik me voor dat ze ’s ochtends om een uur of acht op staan, een mooie tijd als je je niet richting een kantoor in een buitenwijk hoeft te haasten. Dat ze naar beneden lopen en de krant van de mat pakken. Schrijvers lijken me mensen die een abonnement hebben op een krant. Die deurmat is lichtbruin en ruw, zoals deurmatten behoren te zijn, en ligt achter een oude krakende deur, die goed in de verf zit, maar waar de novemberkou toch door naar binnen komt. De schrijver loopt dan naar zijn ruime keuken, met ramen aan alle kanten, ramen die uitzicht bieden over eindeloze weilanden met hekken, ruige struiken, klimop langs een witte houten schuur met veranda en een grote boom met een schommelbank eronder. De schrijver zet koffie, leest de krant en zet zich om half tien aan zijn computer. En gaat schrijven. In de keuken heerst het witte licht en de rust van stilte. Stilte van een klok die tikt, koffie die pruttelt, wind die waait.
Dat is allemaal wat al te romantisch, maar wat me wel opvalt in al die interviews en op al die weblogs, is dat schrijvers in meerderheid een tamelijk doorsnee dagindeling kennen. In feite is het simpel. Een schrijver gaat schrijven. En als we dan het echte leven met zijn drukte en boodschappen doen en belastingaangifte en kinderen die naar school moeten verdisconteren, blijft het simpel: momenten van rust en ruimte is alles wat een schrijver nodig heeft. En een tekstverwerker.
Rust en ruimte in het hoofd.
Dus, en nu ga ik even een stelling verkondigen, en daar ben ik niet zo van, van de stellingen, maar het moet maar even: ik geloof al die andere schrijvers niet die zeggen dat ze ‘de nacht’ nodig hebben, of de juiste muziek, dertig sigaretten of honderd red bull. Ik geloof ze niet als ze heel ingewikkeld en zwaar doen over inspiratie en omgeving. Ik geloof wel dat ze daar in geloven, maar ik geloof niet dat het werkelijk zo is.
Het is net als in het echte leven. Het is net als in de liefde. Het is hoe wij mensen zijn, we zijn liever bezig met het creëren van voorwaarden, dan met het leven zelf, want als we doen of de omstandigheden bepalend zijn voor de kwaliteit van onze creativiteit, hoeven we ons niet bezig te houden met de vraag of wij wel toereikend zijn. Om te schrijven. Te leven. Lief te hebben. We maskeren onze angst. De angst dat we het eigenlijk niet kunnen.
Wij zijn ook allemaal als de voetballer die al twintig jaar dezelfde onderbroek draagt tijdens wedstrijden. Die voetballer heeft een anker gecreëerd, een anker dat zich pas echt laat voelen als het er niet meer is, als zijn vrouw die onderbroek met gaten eindelijk heeft weg gegooid.
We creëren ankers omdat we twijfelen aan onze vermogens te doen wat we van ons zelf verwachten. Goed voetballen. Mooie zinnen schrijven. Leven. Liefhebben. Maar de ankers hebben niks met ons talent te maken. Met wie we zijn. Ze komen voort uit een magisch denken. Of uit een pose. De pose van de getroebleerde schrijver. Het slachtoffer van het leven en de liefde.
Als ik een bal recht vooruit kan trappen met een onderbroek van twintig jaar oud aan, kan ik dat ook in een exemplaar uit de najaarscollectie van Jan Smit. Als ik het in me heb om mooie zinnen te schrijven wanneer het drie uur ’s nachts is, met vier joints, een pakje marlboro light en dertien red bull en zes keer die ene CD achter mijn kiezen, kan ik dat ook overdag, zonder al die middelen.
Stel dat ik een talent heb. Een talent voor het voetbalspel. Dan is het niet de onderbroek die het verschil maakt, maar mijn fitheid, de weersomstandigheden, mijn gestel. En als mijn talent bestaat uit het schrijven van mooie zinnen, is het niet de nacht en de roes die mij mooie zinnen doen schrijven, maar ik zelf, mijn talent, plus de rust die ik voor mezelf creëer, op welk moment dan ook. Elk ritueel kan me helpen, maar ik hang het talent om te creëren niet op aan dat ritueel. Waar ik voor wil waken, is dat het geloof in de illusie, de verslaving aan de pose, aan de mythe die ik over mezelf creëer een rookgordijn wordt tussen mij en mijn vermogens.
En eigenlijk gaat dit over het leven. Iedereen heeft het talent om écht te leven. Écht te lieven. Dat krijgen we gratis mee, bij onze geboorte. Het raakt alleen versluierd door verwachtingen en angsten.
Mensen zijn net schrijvers.

Zegt het voort:
  • email
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • eKudos
  • Digg
  • Print