Kus

Ik sta in de kamer van de oudste, ik heb haar thee gebracht en ze gaat zo slapen. Iets wat ik deed of zei heeft bij haar gezorgd voor een zacht gemoed. Ik kan er mijn vinger niet op leggen, maar het is er: onzichtbaar en niet te missen. Welterusten lieverd, zeg ik, en ze draait zich naar me toe, beweegt gedachteloos haar gezicht naar dat van mij, lippen getuit, alsof dat vanzelfsprekend is. Dat is het niet. Ik weet niet hoe lang het geleden is dat ze besloot dat wij niet meer kussen, zelfs niet op de wang – bah, je baard. Een paar jaar toch op zijn minst. Zelfs een omhelzing, een arm om haar heen is meestal te veel. Af en toe zoekt ze toch contact. Dan zit ze ineens bij me op schoot, of wil ze vechten, stoeien. Dat is fijn. Er zit iets onder wat ik niet kan bereiken. Ik denk zij ook niet. De eerste tijd, toen ik het nog zag als een bevlieging, vergelijkbaar met haar besluit dat chocola en kaas voortaan vies waren, heb ik het te vaak benoemd, als grap, om het luchtig te maken, vooral voor mezelf. Misschien heeft het zich toen in haar vast gezet, vaste vorm aangenomen: papa krijgt geen kussen en ook geen knuffels. Wie weet hoe zo iets werkt? Ik niet. Zij ook niet. Nu na jaren weer die beweging, zo vertrouwd meteen, maar ik weet ook dat het niet echt is, dat ze zich vergist. Zoals ze me soms mama noemt, zo beweegt ze nu haar gezicht naar me toe. Zoals ze zich na zo’n verspreking herstelt – ehh, papa natuurlijk – zo herstelt ze zich nu. Ehh, nee, zegt ze en ze schudt haar hoofd alsof ze wil zeggen: wat deed ik nu voor geks, grappig hè? Ze kijkt me open aan, niet geschrokken, eerder geamuseerd. Ik merk dat het me wat doet, ik weet niet wat precies: er wordt iets opgeruimd tussen ons, of alleen bij mij. Het maakt niet uit. Ik spreid mijn armen. Een knuffel dan, zeg ik. Ze lacht. Het is een blije, verlegen lach. Ze laat me begaan, drukt zelfs even haar hoofd tegen mijn borst. Ik kus haar kruin en zorg er voor dat ik het niet opblaas. Laat het in godsnaam onzichtbaar blijven. Dus ik wens haar welterusten. Wel meteen gaan slapen, zeg ik, het is al laat. Jahaa, zegt ze, ongeduldig, en daarmee doet ze wat mij niet gelukt zou zijn: ze maakt wat er gebeurde weer gewoon en alledaags.

Niet

Na het werk gingen we borrelen in Langerijs aan de Amstel. Goeie tent. Bier, vette worst, toeristen, studenten. We streken neer aan de hoek van de bar. We lachten en praatten steeds harder door elkaar heen en de barman, ja die snapte het wel, die smeerde ons behalve rookworst ook hete balletjes aan en een kaasplankje en nog een rookworst. Alles ging op.

Ik heb jonge collega’s. De een zei dat zijn vriendin bij hem in wil trekken en dat nu hun relatie van zijn antwoord af hing. De ander zei dat het niet zo zwart wit was en daarmee was alles weer opgelost. Ik wist beter, dit was pas het begin, maar ik zweeg.

Iets verderop zat een leuk meisje. Af en toe keken we elkaar aan en dan glimlachten we. We vertrokken tegelijk. Haar vriendin ging pinnen, ik was na haar aan de beurt. Het leuke meisje kwam naast me staan. ‘Hoi,’ zei ze, maar ik ken dat ondertussen. Eerst is alles leuk, dan wordt het serieus en begint er iets te wringen en daarna trek ik me terug. Dus ik had haar kunnen vragen of ze nog wat wilde drinken, ook al ben ik geen held in die dingen, en heel misschien had ze dan ja gezegd, maar ik deed het niet.

Verhuizen

Over twee weken gaan mijn kinderen met hun moeder verhuizen naar een andere stad. Lotte heeft het onderwerp al maanden geleden tot verboden gebied verklaard. Sophie kiest er juist voor om de positieve kant te benadrukken. ‘Ik krijg een hele mooie kamer.’
Ik had van beide meiden niet de indruk dat het de verhuizing makkelijker voor ze maakte, maar ik wist ook niet direct wat ik er aan kon doen.
Soms komt hulp uit onverwachte hoek. Vorige week keken ze voor het eten een stukje van een film en in die film zei een jongen dat hij boos was op zijn ouders, omdat die niet begrepen dat de verhuizing hún droom was, en niet die van hem.
Die zin hing nog in de lucht toen we aan tafel gingen.
Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, dus ik schepte hun borden maar vol.
Sophie zei: ‘Mama zegt dat ze ook vaak verhuisd is, maar die was toen al groot. En ik ben pas acht dus dan is het anders.’
‘Hoe anders, lieverd,’ vroeg ik.
‘Voor mij is het eng.’
Lotte legde haar voorhoofd op tafel en begon te huilen.
Sophie ging verder. ‘Soms moet ik op school rekenen en dan moet ik nadenken. Maar dan zit mijn hoofd al vol met de verhuizing. Maar dan wil ik niet verdrietig worden, dus dan denk ik aan iets leuks zoals mijn nieuwe bureau. Maar dan is dat er allemaal, dus de verhuizing en mijn bureau. En dan is er geen ruimte meer voor de sommen.’
Lotte stopte met huilen. ‘Ja!’ zei ze. Ze pakte een roodwit geblokt servet en vouwde het open.
‘Kijk.’ Ze pakte een pen. ‘Als dit mijn hersenen zijn… Dan is dit hoeveel ik over de verhuizing denk.’
Ze zette een streep.
‘Dat is best veel,’ zei mijn vriendin. ‘Waarvoor is er nog meer ruimte?’
‘Voor mama missen. Voor school.’ Ze zette driftig strepen.
‘En die laatste hokjes?’ vroeg ik
‘Dat papa stom is.’ Ze keek me uitdagend aan.
‘Hm,’ zei ik.
Sophie gaf mij haar servet. ‘En jouw hoofd papa?’
Ik draaide het om. De witte kant boven.
‘Ik denk nooit na, dat weten jullie toch.’
Daar moesten ze om lachen.

Zeven

Woensdag werd Sophie zeven jaar. Op dinsdag kwam ze naar me toe. ‘Pap,’ zei ze. ‘Ik heb vlindertjes in mijn buik.’ Ja, ze kan het mooi vertellen. Sophie neemt graag de wereld om zich heen zwijgend in zich op, om dan even naar het plafond te kijken en er woorden aan te geven. Daar durft ze de tijd voor te nemen. Ze kwam eens uit school en zei: ‘Juf wilde wat meer op mij lijken, want ze is zelf zo druk.’ Soms gaat het Sophie allemaal te snel. Dan wil ze haar verhaal vertellen en is haar zus weer eens sneller en dan gaat ze van stilstaand naar kokend water in minder dan een seconde en stampt ze een gat in de grond. ‘Ook! Naar! Mij! Luisteren!’ En dan glimlachen we en luisteren we ook naar haar.

Woensdag werd Sophie zeven jaar. Ik ben co-ouder. Ik moest haar door de telefoon feliciteren. Stomme papa. Laatst vroeg ze me wanneer ik weer met mama ging trouwen. Dat we ooit samen in één huis woonden, weet ze alleen van foto’s. Ze was twee. Ook haar overtuiging dat ze met mij én met mama gaat trouwen slijt nog maar nauwelijks. ‘Dan moeten jullie bij mij wonen!’ Woensdag werd ze zeven en dus belde ik haar en ze vertelde over de kaptafel die ze had gekregen en dat ze de klassen was rondgegaan en dat haar zus derde was geworden bij de scholierenveldloop: ‘maar dat wilde Lotte zelf vertellen dus doe maar alsof je dat nog niet weet.’ Daarna zei ze doei want ze moest weer verder met haar make-up.

Donderdag vierde Sophie haar kinderfeestje. De tafelschikking bij het taart eten en cadeautjes geven gaf wat problemen. De meisjes vonden allemaal dat ze Sophie’s hartsvriendin waren en vroegen haar of zij dat ook vond. Sophie keek een tel glunderend voor zich uit maar wist niets te zeggen. Zo’n moment waarin ouders iets extra’s herkennen, dus haar moeder en ik keken elkaar even aan. Dat het goed was. Dat we een fijn kind hebben. Daarna kwamen de cadeaus, werd er geschilderd en op tafel gestaan. In bomen geklommen en pizza gemaakt, disco gedanst in perfecte Kinderen voor Kinderen choreografieën en Sophie had minstens zes keer de slappe lach.

Donderdag toen alle kinderen weg waren en het huis weer was opgeruimd, trok ik mijn jas aan want ik moest weer naar mijn eigen huis. Ik vroeg aan Sophie of ze genoten had. Ze haalde diep adem en rende in mijn armen: ‘Pappie, ik vind je zo lief!’

Eigenlijk was dat mijn tekst.

Brief aan Lotte

Lieve Lotte,

Vanmorgen zat je op de trap je schoenen aan te doen. Daar nam je uitgebreid de tijd voor en zoals dat wel vaker gaat: ik werd wat ongeduldig. ‘Laat mij nou maar even,’ zei ik. Een jaar geleden had je dit aanbod met graagte aanvaard. Die tijd is voorbij. In jouw ogen doe ik veel verkeerd. Gelukkig begrijp je wel hoe dat komt. ‘Ik ben iemand anders dan jij, dus ik wil dingen anders dan jij.’ Dingen zoals het strikken van je veters.

Er zijn momenten, steeds vaker, waarop het me lukt volwassen te reageren op je drang het op je eigen manier te doen. Vanmorgen was er zo’n moment.
‘Oké,’ zei ik en ik deed alvast de voordeur open. ‘Maar wel een beetje opschieten.’

Je schoot niet op. Vroeger schoot je altijd op.

Het verbaast me weleens met hoeveel gemak je je oude ik af schudt. Het verbaast me ook hoe vertrouwd de nieuwe versie me meteen is, ook al staat er niets meer op zijn plek. Je bent sneller boos, je daagt me vaker uit. Weg zijn je oude wil om te volgen, je oude wens om niet op te vallen, de kleuren die je lievelings waren en de lange gouden haren die tot halverwege je rug vielen.

De veranderingen gaan ook aan jou niet ongemerkt voorbij. Vorige week gaf je me een dubbelgevouwen paars blaadje, met een zon getekend op de voorkant. ‘Post,’ zei je. Ik ging naast je op de bank zitten en vouwde de brief open. Je pakte mijn vrije arm, legde die om je heen en schikte je lijf tegen dat van mij. Terwijl ik las wat je geschreven had, keek je de andere kant op, en begon je te snikken. ‘Lieve papa, sorry dat ik altijd zo boos doe’ had je geschreven.
‘Och meisje,’ zei ik. ‘Wat lief van je.’
Daarna huilde je m’n shirt nat.

De veter schoot weer uit z’n lus. Ik zuchtte.
‘Jij gaat met mij naar de kapper,’ zei je. Dat ik het even wist. Je haar hangt nog nauwelijks op je schouders, maar het is alweer veel te lang.
‘Schiet nou maar op,’ zei ik.
‘Echt hoor.’
‘Papa houdt van vrouwen met lange haren,’ zei ik.
‘Ja, dat weet ik,’ zei je en je lachte veelbetekenend. Nog zo iets wat je hebt geleerd: veelbetekenend lachen.
‘Maar ik vind kort mooier,’ zei je. De tijd dat je vader de maat der dingen was, ligt achter ons.

Als een vrouw verandert, is me eens verteld, moet er iets met het haar. Dus misschien word je wel langzaam een vrouw. Of misschien gaat het wel heel snel. Dat kan ook.

‘Schiet nou maar op,’ zei ik nog een keer.

Ik bedoelde de veter, Lotte. Ik bedoelde alleen de veter. De rest komt later wel.

Kus van papa.

Hoe lang nog?

Door de nieuwe draaipoort liepen we het terrein van mijn voetbalvereniging op.
‘Hoe lang moeten we blijven?’ vroeg Sophie.
Het scorebord gaf aan dat er achttien minuten gespeeld waren.
‘Nog heel lang,’ zei ik.
Ze stampte met een voet op de grond en zei: ‘Nou!’
‘Er is ook een speeltuin,’ zei ik.
Ze keek om zich heen. ‘Ja, die wipkippen zeker!’
Lotte lachte.
‘Nou!’ zei Sophie en ze stampte nog eens. Iets harder nu.
Ik knikte. ‘En anders gaan jullie een hut maken in de bosjes.’

Het was druk en zonnig langs de lijn. Na een paar minuten kwamen Lotte en Sophie me allebei hun jas brengen. ‘Je mag ‘m ook wel over het hek hangen hoor pap,’ zei Lotte.
‘Dank je,’ antwoordde ik.

Met de mannen van het derde evalueerde ik kalm de verrichtingen van het eerste op het nieuwe kunstgras. Ze werden kansloos weggetikt maar kwamen wel op voorsprong. Naast ons stond Ben. ‘Als ze dit niet winnen, ligt het aan de scheids,’ riep Ben tegen iedereen die in zijn buurt kwam. Dat riep hij in onze tijd ook al wanneer wij kansloos werden weggetikt en dat vonden we toen troostrijk.

Sophie kwam een schrammetje op haar voet laten zien. ‘En Lotte duwde me.’
Ik gaf haar een kus.
‘Scheids!’ riep Ben. Sophie keek hem verwonderd aan. Ben zag het niet. Hij maakte een wegwerpgebaar. Sophie rende weer naar Lotte, ze verdwenen de bosjes in.

Tijdens de rust begonnen de sproeiers zonder aankondiging te sproeien. Als ruitenwissers bewogen de waterstralen heen en weer over het veld. De wind blies de dikke sproeinevel terug naar de zijkant van het veld. De toeschouwers die de wind in het gezicht hadden, zochten een goed heenkomen achter het doel, bij de koffietafels. Lotte en Sophie liepen met grote ogen juist tegen de stroom mensen in. Ze zochten positie achter één van de sproeiers. Een teammaat van het derde stootte me aan. Ik keek naar de strakblauwe hemel. ‘Droogt vanzelf weer,’ zei ik.

Toen de spelers het veld weer op kwamen, gingen de sproeiers met een halfslachtig proestje weer uit. Lotte en Sophie lachten en deden het geluid na. Het klonk alsof ze moesten overgeven. De toeschouwers kwamen er weer aan en Lotte en Sophie renden terug naar hun bosjes.

Ik dronk mijn koffiebeker leeg en zocht mijn plek bij het hek weer op. Ben zei dat hij hoopte dat de scheids nu beter zou fluiten.

de Dominee

Na afloop van de wedstrijd kwam de laatste man van de tegenpartij onze kleedkamer binnen. Iets te zwaar, niet meer zo wendbaar, een bekend beeld in onze competitie. Hij stond tussen de vuilniszakken waarin wij na afloop onze tenues verzamelen. Kousen, broeken en shirts apart, dat scheelt uitzoeken.
‘Sorry jongens,’ zei hij. ‘Dat ging echt te ver.’
Er landde een bezweet broekje op zijn schoen. Dat was niet kwaad bedoeld.
Onze aanvoerder zei: ‘Het is elke keer hetzelfde met jullie.’
Daar had hij gelijk in. Wiron-uit, het is niet mijn favoriete wedstrijd. Maar misschien hadden we dat tijdens de wedstrijd iets teveel laten merken.

Dezelfde laatste man zei ergens in de tweede helft tegen onze aanvoerder: ‘Weet je wat, jij moet dominee worden.’
Ik glimlachte en herkende de opmerking als een instant-verjaardagklassieker.
Het scoreverloop hielp ook niet. Wij wonnen en het krachtsverschil was groter dan voorheen. Waarschijnlijk dachten ze: ‘vroeger lukte het wél.’
Ik ken dat.
En frustratie moet er uit. Dat weet elke voetballer.
De scheidsrechter zag zich een kwartier voor tijd voor de tweede keer genoodzaakt een van onze tegenstanders naar de kant te sturen. Wij reageerden verontwaardigd op de overtreding die de aanleiding was. De dader zei: ‘Wat moet je nou.’ Hij liep dreigend op onze aanvoerder af. De scheidsrechter had genoeg gezien. Hij floot af.

In de kleedkamer bedankten we hun laatste man: ‘Het is wel goed joh.’
‘Nogmaals sorry,’ zei de laatste man.
Toen hij weg liep, sleepte hij het broekje dat op zijn schoen lag een stukje met zich mee. Het belandde tussen de sokken. Onze aanvoerder bukte zich en gooide ‘t in de juiste zak.
Ik knikte: dat scheelt uitzoeken.