Kus

Ik sta in de kamer van de oudste, ik heb haar thee gebracht en ze gaat zo slapen. Iets wat ik deed of zei heeft bij haar gezorgd voor een zacht gemoed. Ik kan er mijn vinger niet op leggen, maar het is er: onzichtbaar en niet te missen. Welterusten lieverd, zeg ik, en ze draait zich naar me toe, beweegt gedachteloos haar gezicht naar dat van mij, lippen getuit, alsof dat vanzelfsprekend is. Dat is het niet. Ik weet niet hoe lang het geleden is dat ze besloot dat wij niet meer kussen, zelfs niet op de wang – bah, je baard. Een paar jaar toch op zijn minst. Zelfs een omhelzing, een arm om haar heen is meestal te veel. Af en toe zoekt ze toch contact. Dan zit ze ineens bij me op schoot, of wil ze vechten, stoeien. Dat is fijn. Er zit iets onder wat ik niet kan bereiken. Ik denk zij ook niet. De eerste tijd, toen ik het nog zag als een bevlieging, vergelijkbaar met haar besluit dat chocola en kaas voortaan vies waren, heb ik het te vaak benoemd, als grap, om het luchtig te maken, vooral voor mezelf. Misschien heeft het zich toen in haar vast gezet, vaste vorm aangenomen: papa krijgt geen kussen en ook geen knuffels. Wie weet hoe zo iets werkt? Ik niet. Zij ook niet. Nu na jaren weer die beweging, zo vertrouwd meteen, maar ik weet ook dat het niet echt is, dat ze zich vergist. Zoals ze me soms mama noemt, zo beweegt ze nu haar gezicht naar me toe. Zoals ze zich na zo’n verspreking herstelt – ehh, papa natuurlijk – zo herstelt ze zich nu. Ehh, nee, zegt ze en ze schudt haar hoofd alsof ze wil zeggen: wat deed ik nu voor geks, grappig hè? Ze kijkt me open aan, niet geschrokken, eerder geamuseerd. Ik merk dat het me wat doet, ik weet niet wat precies: er wordt iets opgeruimd tussen ons, of alleen bij mij. Het maakt niet uit. Ik spreid mijn armen. Een knuffel dan, zeg ik. Ze lacht. Het is een blije, verlegen lach. Ze laat me begaan, drukt zelfs even haar hoofd tegen mijn borst. Ik kus haar kruin en zorg er voor dat ik het niet opblaas. Laat het in godsnaam onzichtbaar blijven. Dus ik wens haar welterusten. Wel meteen gaan slapen, zeg ik, het is al laat. Jahaa, zegt ze, ongeduldig, en daarmee doet ze wat mij niet gelukt zou zijn: ze maakt wat er gebeurde weer gewoon en alledaags.

Verhuizen

Over twee weken gaan mijn kinderen met hun moeder verhuizen naar een andere stad. Lotte heeft het onderwerp al maanden geleden tot verboden gebied verklaard. Sophie kiest er juist voor om de positieve kant te benadrukken. ‘Ik krijg een hele mooie kamer.’
Ik had van beide meiden niet de indruk dat het de verhuizing makkelijker voor ze maakte, maar ik wist ook niet direct wat ik er aan kon doen.
Soms komt hulp uit onverwachte hoek. Vorige week keken ze voor het eten een stukje van een film en in die film zei een jongen dat hij boos was op zijn ouders, omdat die niet begrepen dat de verhuizing hún droom was, en niet die van hem.
Die zin hing nog in de lucht toen we aan tafel gingen.
Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, dus ik schepte hun borden maar vol.
Sophie zei: ‘Mama zegt dat ze ook vaak verhuisd is, maar die was toen al groot. En ik ben pas acht dus dan is het anders.’
‘Hoe anders, lieverd,’ vroeg ik.
‘Voor mij is het eng.’
Lotte legde haar voorhoofd op tafel en begon te huilen.
Sophie ging verder. ‘Soms moet ik op school rekenen en dan moet ik nadenken. Maar dan zit mijn hoofd al vol met de verhuizing. Maar dan wil ik niet verdrietig worden, dus dan denk ik aan iets leuks zoals mijn nieuwe bureau. Maar dan is dat er allemaal, dus de verhuizing en mijn bureau. En dan is er geen ruimte meer voor de sommen.’
Lotte stopte met huilen. ‘Ja!’ zei ze. Ze pakte een roodwit geblokt servet en vouwde het open.
‘Kijk.’ Ze pakte een pen. ‘Als dit mijn hersenen zijn… Dan is dit hoeveel ik over de verhuizing denk.’
Ze zette een streep.
‘Dat is best veel,’ zei mijn vriendin. ‘Waarvoor is er nog meer ruimte?’
‘Voor mama missen. Voor school.’ Ze zette driftig strepen.
‘En die laatste hokjes?’ vroeg ik
‘Dat papa stom is.’ Ze keek me uitdagend aan.
‘Hm,’ zei ik.
Sophie gaf mij haar servet. ‘En jouw hoofd papa?’
Ik draaide het om. De witte kant boven.
‘Ik denk nooit na, dat weten jullie toch.’
Daar moesten ze om lachen.

Zeven

Woensdag werd Sophie zeven jaar. Op dinsdag kwam ze naar me toe. ‘Pap,’ zei ze. ‘Ik heb vlindertjes in mijn buik.’ Ja, ze kan het mooi vertellen. Sophie neemt graag de wereld om zich heen zwijgend in zich op, om dan even naar het plafond te kijken en er woorden aan te geven. Daar durft ze de tijd voor te nemen. Ze kwam eens uit school en zei: ‘Juf wilde wat meer op mij lijken, want ze is zelf zo druk.’ Soms gaat het Sophie allemaal te snel. Dan wil ze haar verhaal vertellen en is haar zus weer eens sneller en dan gaat ze van stilstaand naar kokend water in minder dan een seconde en stampt ze een gat in de grond. ‘Ook! Naar! Mij! Luisteren!’ En dan glimlachen we en luisteren we ook naar haar.

Woensdag werd Sophie zeven jaar. Ik ben co-ouder. Ik moest haar door de telefoon feliciteren. Stomme papa. Laatst vroeg ze me wanneer ik weer met mama ging trouwen. Dat we ooit samen in één huis woonden, weet ze alleen van foto’s. Ze was twee. Ook haar overtuiging dat ze met mij én met mama gaat trouwen slijt nog maar nauwelijks. ‘Dan moeten jullie bij mij wonen!’ Woensdag werd ze zeven en dus belde ik haar en ze vertelde over de kaptafel die ze had gekregen en dat ze de klassen was rondgegaan en dat haar zus derde was geworden bij de scholierenveldloop: ‘maar dat wilde Lotte zelf vertellen dus doe maar alsof je dat nog niet weet.’ Daarna zei ze doei want ze moest weer verder met haar make-up.

Donderdag vierde Sophie haar kinderfeestje. De tafelschikking bij het taart eten en cadeautjes geven gaf wat problemen. De meisjes vonden allemaal dat ze Sophie’s hartsvriendin waren en vroegen haar of zij dat ook vond. Sophie keek een tel glunderend voor zich uit maar wist niets te zeggen. Zo’n moment waarin ouders iets extra’s herkennen, dus haar moeder en ik keken elkaar even aan. Dat het goed was. Dat we een fijn kind hebben. Daarna kwamen de cadeaus, werd er geschilderd en op tafel gestaan. In bomen geklommen en pizza gemaakt, disco gedanst in perfecte Kinderen voor Kinderen choreografieën en Sophie had minstens zes keer de slappe lach.

Donderdag toen alle kinderen weg waren en het huis weer was opgeruimd, trok ik mijn jas aan want ik moest weer naar mijn eigen huis. Ik vroeg aan Sophie of ze genoten had. Ze haalde diep adem en rende in mijn armen: ‘Pappie, ik vind je zo lief!’

Eigenlijk was dat mijn tekst.

Brief aan Lotte

Lieve Lotte,

Vanmorgen zat je op de trap je schoenen aan te doen. Daar nam je uitgebreid de tijd voor en zoals dat wel vaker gaat: ik werd wat ongeduldig. ‘Laat mij nou maar even,’ zei ik. Een jaar geleden had je dit aanbod met graagte aanvaard. Die tijd is voorbij. In jouw ogen doe ik veel verkeerd. Gelukkig begrijp je wel hoe dat komt. ‘Ik ben iemand anders dan jij, dus ik wil dingen anders dan jij.’ Dingen zoals het strikken van je veters.

Er zijn momenten, steeds vaker, waarop het me lukt volwassen te reageren op je drang het op je eigen manier te doen. Vanmorgen was er zo’n moment.
‘Oké,’ zei ik en ik deed alvast de voordeur open. ‘Maar wel een beetje opschieten.’

Je schoot niet op. Vroeger schoot je altijd op.

Het verbaast me weleens met hoeveel gemak je je oude ik af schudt. Het verbaast me ook hoe vertrouwd de nieuwe versie me meteen is, ook al staat er niets meer op zijn plek. Je bent sneller boos, je daagt me vaker uit. Weg zijn je oude wil om te volgen, je oude wens om niet op te vallen, de kleuren die je lievelings waren en de lange gouden haren die tot halverwege je rug vielen.

De veranderingen gaan ook aan jou niet ongemerkt voorbij. Vorige week gaf je me een dubbelgevouwen paars blaadje, met een zon getekend op de voorkant. ‘Post,’ zei je. Ik ging naast je op de bank zitten en vouwde de brief open. Je pakte mijn vrije arm, legde die om je heen en schikte je lijf tegen dat van mij. Terwijl ik las wat je geschreven had, keek je de andere kant op, en begon je te snikken. ‘Lieve papa, sorry dat ik altijd zo boos doe’ had je geschreven.
‘Och meisje,’ zei ik. ‘Wat lief van je.’
Daarna huilde je m’n shirt nat.

De veter schoot weer uit z’n lus. Ik zuchtte.
‘Jij gaat met mij naar de kapper,’ zei je. Dat ik het even wist. Je haar hangt nog nauwelijks op je schouders, maar het is alweer veel te lang.
‘Schiet nou maar op,’ zei ik.
‘Echt hoor.’
‘Papa houdt van vrouwen met lange haren,’ zei ik.
‘Ja, dat weet ik,’ zei je en je lachte veelbetekenend. Nog zo iets wat je hebt geleerd: veelbetekenend lachen.
‘Maar ik vind kort mooier,’ zei je. De tijd dat je vader de maat der dingen was, ligt achter ons.

Als een vrouw verandert, is me eens verteld, moet er iets met het haar. Dus misschien word je wel langzaam een vrouw. Of misschien gaat het wel heel snel. Dat kan ook.

‘Schiet nou maar op,’ zei ik nog een keer.

Ik bedoelde de veter, Lotte. Ik bedoelde alleen de veter. De rest komt later wel.

Kus van papa.

Eerste Dag

Het was Sophie’s eerste dag in groep drie. In de klas was het wringen en dringen, want ik was niet de enige ouder die met z’n kind mee naar binnen ging. De stoelen stonden al in een kring. We zochten een plekje waar ze straks kon gaan zitten. Sophie’s vriendinnetjes van vorig jaar zaten al, maar op de stoelen naast ze zaten hun moeders.
Sophie aarzelde. Ze deed een stap naar haar vriendinnen, werd afgesneden door een vader die iets aan de juf wilde vragen, overwoog of ze zich tussen de moeder en haar vriendinnetje durfde te wurmen, aarzelde weer.
Ik vroeg me af of ik de enige ouder was die het op zulke momenten zou willen overnemen van zijn kind.
Sophie kwam weer naar me toe en legde haar wang tegen mijn buik.
Ik knikte naar een van de moeders. Ze knikte terug en schoof wat opzij.
‘Je kan er nog wel bij,’ zei ik zachtjes.
Sophie schudde haar hoofd.
Aan de andere kant van de juf was een heel bankje vrij.
‘Anders ga je lekker hier zitten,’ zei ik.
Ze ging zitten. Haar handen plat op de stoel, billen op de handen, schoudertjes wat omhoog. Ze keek naar de grond. Zelf kon ik me bang en eenzaam voelen op zulke momenten. Dat gevoel is nooit helemaal weggegaan. Ik slikte.
Er ging een jongen naast Sophie zitten. Een grote, van groep 5.
Sophie lachte verlegen naar hem.
‘Hoe heet jij?’ vroeg de jongen.
‘Ik heet Sophie,’ zei Sophie. De jongen moest voorover buigen om haar te verstaan.
‘Vind je het leuk om nu in groep drie te zitten?’
Sophie’s schouders ontspanden. ‘Ja.’
De jongen vroeg of ze op vakantie was geweest en of dat leuk was. En hij vertelde dat hij altijd naast juf moest zitten omdat hij een beetje druk was. Dat vond Sophie grappig. Ze draaide naar hem toe. Haar stem werd wat luider.
De juf zei dat ze wilde beginnen. De ouders stonden op. Ik kuste Sophie’s kruin en stapte langzaam achteruit.
Toen ik op de gang nog even door het raam keek, zat ze nog steeds met de jongen te praten.
Ze zat niet meer op haar handen.

Hoe lang nog?

Door de nieuwe draaipoort liepen we het terrein van mijn voetbalvereniging op.
‘Hoe lang moeten we blijven?’ vroeg Sophie.
Het scorebord gaf aan dat er achttien minuten gespeeld waren.
‘Nog heel lang,’ zei ik.
Ze stampte met een voet op de grond en zei: ‘Nou!’
‘Er is ook een speeltuin,’ zei ik.
Ze keek om zich heen. ‘Ja, die wipkippen zeker!’
Lotte lachte.
‘Nou!’ zei Sophie en ze stampte nog eens. Iets harder nu.
Ik knikte. ‘En anders gaan jullie een hut maken in de bosjes.’

Het was druk en zonnig langs de lijn. Na een paar minuten kwamen Lotte en Sophie me allebei hun jas brengen. ‘Je mag ‘m ook wel over het hek hangen hoor pap,’ zei Lotte.
‘Dank je,’ antwoordde ik.

Met de mannen van het derde evalueerde ik kalm de verrichtingen van het eerste op het nieuwe kunstgras. Ze werden kansloos weggetikt maar kwamen wel op voorsprong. Naast ons stond Ben. ‘Als ze dit niet winnen, ligt het aan de scheids,’ riep Ben tegen iedereen die in zijn buurt kwam. Dat riep hij in onze tijd ook al wanneer wij kansloos werden weggetikt en dat vonden we toen troostrijk.

Sophie kwam een schrammetje op haar voet laten zien. ‘En Lotte duwde me.’
Ik gaf haar een kus.
‘Scheids!’ riep Ben. Sophie keek hem verwonderd aan. Ben zag het niet. Hij maakte een wegwerpgebaar. Sophie rende weer naar Lotte, ze verdwenen de bosjes in.

Tijdens de rust begonnen de sproeiers zonder aankondiging te sproeien. Als ruitenwissers bewogen de waterstralen heen en weer over het veld. De wind blies de dikke sproeinevel terug naar de zijkant van het veld. De toeschouwers die de wind in het gezicht hadden, zochten een goed heenkomen achter het doel, bij de koffietafels. Lotte en Sophie liepen met grote ogen juist tegen de stroom mensen in. Ze zochten positie achter één van de sproeiers. Een teammaat van het derde stootte me aan. Ik keek naar de strakblauwe hemel. ‘Droogt vanzelf weer,’ zei ik.

Toen de spelers het veld weer op kwamen, gingen de sproeiers met een halfslachtig proestje weer uit. Lotte en Sophie lachten en deden het geluid na. Het klonk alsof ze moesten overgeven. De toeschouwers kwamen er weer aan en Lotte en Sophie renden terug naar hun bosjes.

Ik dronk mijn koffiebeker leeg en zocht mijn plek bij het hek weer op. Ben zei dat hij hoopte dat de scheids nu beter zou fluiten.

Na de zwemles

Om kwart voor vijf verzamelen de zwembadouders zich in het halletje bij de douches. Rond de vijfentwintig kinderen komen met opgetrokken schouders en blauwe lippen uit het zwembad. Er zijn zes douches. Eentje doet het niet. Sommige kinderen zijn wat gehaaider, die hebben meteen een douche. Sophie is niet een van die kinderen. Ze zwaait naar me en ik steek mijn handen tussen de doorzichtig plastic stroken door die als afscheiding dienen en ik peuter Sophie’s elastiekje uit d’r haren.
‘Ik mag naar blauw, pap!’ zegt ze. Ik geef haar een kus en zeg dat ik trots op haar ben. Ik stap weer terug het halletje in.

De kinderen onder de vijf douches doen rustig aan. Hoewel ze staan te bibberen, wachten de twintig anderen geduldig tot er een plekje vrij komt en áls er een plekje vrij komt en een ander kindje is er eerder bij, doen ze rustig weer een stapje terug. Deze kalmte werkt elke week aanstekelijk op me, dus ik maak het me gemakkelijk tegen de kluisjeswand in de hal.

Na twee minuten duikt de eerste moeder met haar hoofd de douches in. Het is meestal de moeder van Jaimy. Ze vindt dat Jaimy moet opschieten. Maar Jaimy heeft het koud. Ze wil douchen.
‘Ik sta hier ook niet voor m’n lol!’ roept de moeder van Jaimy. Jaimy loopt sip achter haar mama aan.

De moeder van Jaimy is niet de enige. Al die moeders roepen dat ze nog moeten koken of boodschappen doen of andere dingen die belangrijker zijn dan een warme douche voor hun kind. Ik weet dat ik hier straks met nog twee moeders sta te wachten. We hebben dan ons hoofd geschud om die ene oma die er elke week voor kiest om uit de kleedkamer naar haar kleindochter te gillen dat ze op moet schieten: ‘Anders gaat oma NU weg en dan zoek je het maar uit!’

Ik geef Sophie wat shampoo in haar hand. Ze is nu met twee andere meisjes over. Ze wast haar haren.
‘Je mag ook wel even in de kleedkamer wachten tot ik kom hoor, pap,’ zegt ze geruststellend. Dus dat doe ik.