Ik ben een beetje misselijk. Dat heeft te maken met bobsleeën. Ik weet niet of u wel eens een bobsleewedstrijd op TV hebt gezien? Zo’n wedstrijd bestaat uit een eindeloze rij passages langs camera’s. De camera’s staan stuk voor stuk in het midden van een recht deel van het parcours opgesteld, zodat ze het projectiel zien aankomen, zien passeren, vliegensvlug moeten draaien, waarna ze de slee op de rug volgen tot er een volgende bocht komt. Dan wordt geschakeld naar de volgende camera, die hetzelfde doet. En dat een keer of twintig in een seconde of vijftig. De enige camera’s die langer dan twee seconden beeld leveren tijdens zo’n run, zijn de camera’s bij start en finish.
En wat doe ik? Wat doen mijn ogen? Heroriënteren, bijstellen, steeds opnieuw. De tijd is in beeld, maar te klein om te lezen. Het is de enige context. Ik tuur en staar en stel bij en vraag me af waar we zijn. Waar de slee zich bevindt, de eigenlijke context, dat weet niemand. We bevinden ons in het vacuüm van de tijdwaarneming en de cameraman. In plaats van de onopvallende registreerder van wat er gebeurt, wordt de cameraman tijdens de bobsleewedstrijd de hoofdrolspeler. Ik krijg langzaamaan steeds meer bewondering voor zijn kunsten. En ik vraag me af, bestaat er zo iets als een bobsleecamera-arm?
Ik word er ook in toenemende mate kriebelig van. Ik zie flits-flits-flits-flits een bobslee naar beneden suizen, ik hoor een commentator die één keer in de vier jaar naar deze sport kijkt, doen alsof hij de nuances van de race begrijpt, en ik zie beneden op de klok pas of ze het goed gedaan hebben. Toch blijf ik kijken. Op zoek naar aanknopingspunten.
Als ik sport kijk wil ik competitie zien. Als een roofdier ben ik op zoek naar de zwakte van de een, bewonder ik de kracht van de ander. Als ik sport kijk, wil ik vergelijken, niet de tijd, nee, de kunde. En als ik kijk naar een bobsleewedstrijd, voel ik me weer zoals ik me toen voelde, met pech naast de snelweg, terwijl de auto’s troosteloos voorbij razen. Geen onderscheid.
En het is overal. De winterspelen, zo heb ik ontdekt, zijn de spelen van de onzichtbare competitie. Er gebeurt van alles, het is ook ontzettend spannend, maar ik heb er geen weet van. Schaatsen. De mooiste wedstrijden zijn om drie uur ‘s nachts. Dus als ik huil om Tuitert, huil ik tweedehands, huil ik om de herhaling. En skiën. Ik weet pas dat er eentje misschien iets minder in vorm is, als hij dwars door een vlaggetje heen rijdt, of zichzelf ondersteboven over de omheining katapulteert.
Het is het euvel van alle sporten waar de deelnemers één voor één starten. Alles leuk en aardig, de experts die klaarkomen op de technische details van de uitvoering, maar ik wil zien hoe duels worden uitgevochten. Ik zie liever die snowboarders, die achter, naast en op elkaar naar beneden suizen, dan die kunstrijder die zo mooi hoog en vrouwelijk springt. Ik zie liever langlaufers zich het snot voor de ogen sprinten, omdat ze niet willen afhaken, dan zo’n freestyle skiër die salto’s maakt die de skiër voor ‘m ook maakte, en die na hem waarschijnlijk ook weer. Geef me ijshockeyers die elkaar tegen de ramen bonzen, en vooral, geef me curlers die elkaars schuifdingetje heel pesterig wegketsen. Hoe meer een sport lijkt op kinderen die ruzie maken op het schoolplein, hoe verder we naar het puntje van onze stoel schuiven. Ik wel, in ieder geval. Ik ben daar heel eendimensionaal in.
Toch. Even over dat ijshockey. Hebt u dat ook? Dat u mannen tegen elkaar aan ziet rijden, alle kanten op, maar die puck… Die puck, waar is de puck? Die zie ik altijd pas als hij stil in het net ligt. De rest van de tijd blijft het raden, een groot pantomime van tien holenmannen. Ik zie het wel gebeuren, heb een vermoeden wie de puck heeft, en waar hij ‘m heen speelt, maar tegelijk zie ik niks.
Net bobsleeën, eigenlijk.



Geplaatst op 23.02.10
0