1.
Er is een slecht verlicht gangetje in het ziekenhuis. In dat gangetje zijn stoelen aan de muur geschroefd. Zes naast elkaar. Ik zit met vier andere mannen in het gangetje. We wachten. Om de hoek is de operatiekamer. In de operatiekamer liggen onze kleine kinderen. Hun moeders zijn er bij. We doen ontspannen, de mannen en ik. De man naast me is bijvoorbeeld zo nonchalant mogelijk verdiept in de Privé uit juni 2007. Jan heeft Yolanthe ten huwelijk gevraagd. De man is oprecht blij voor Jan. Aan mijn andere kant becommentariëren twee mannen zo nonchalant mogelijk het heen-en-weer-gebeuren dat ziekenhuis heet. En ik? Ik verdiep me in een Vrij Nederland uit 2006. Rita Verdonk schijnt een goede kans te maken op het lijsttrekkerschap van de VVD. Dit is wie wij zijn. Wij, mannen. Hoe klein onze kinderen ook zijn in dat grote ziekenhuis, hoe groot de snik in ons lijf ook was toen ze met grote bange ogen door die klapdeuren verdwenen, we zijn ontspannen. We zijn nonchalant. We zijn cool. En als er voetstappen klinken, kloppen onze harten in onze kelen en draaien onze vijf hoofden synchroon richting de gang. Onze ogen boren gaten in de volgende verpleegster op versierde plastic klompen er aan. We veren op als we de deur horen opengaan. Komt daar een bed met die van ons? Maar dan is het weer een bejaarde die wordt ingereden voor een nieuwe heup. Dus we draaien ons weer naar de Privé, het heen-en-weer-gebeuren en de Vrij Nederland. Want we zijn nonchalant, we zijn cool, we zijn ontspannen. Tot de deur weer open gaat.
2.
Er staan zes bedden in de ziekenhuiszaal. Op die zes bedden liggen zes kinderen. Die kinderen moeten drinken. Of ijsjes eten. Dat is nodig voor een snel herstel. De kinderen kreunen en kijken verlept de ruimte in. Lotte is één van die kinderen. Ze wil niet drinken, want dat doet zeer in haar keel. Ze draait zich boos in haar dekbed en zegt dat ze nu écht slaapt. Ze buigt haar hoofd verbeten tussen haar knokige schouders. Het is haar menens. We laten haar liggen. In het bed naast Lotte zit een jongen die net zo boos is. Hij heeft zijn vader en moeder de rug toegedraaid, in een poging om onder hun dwang uit te komen. Zijn poging is niet succesvol. Moeder zucht verwijtend en vader schudt zijn hoofd. “Als je niet drinkt, kun je niet naar huis,” zegt moeder zeurderig. Ik heb nooit veel begrepen van ouders die opvoeden met het mantra van de dreiging. Als je niet doet wat ik zeg, dan gebeurt er iets vervelends. Ik denk dat een ouder weet wanneer er consequent moet worden gehandeld, ja, wanneer er zelfs consequenties aan gedrag mogen worden verbonden, maar dat een ouder óók weet wanneer een kind iets anders nodig heeft. Een kind dat nog suf van de narcose, geschrokken van de pijn en het bloed, in een onwennige ruimte zit en verdrietig is, heeft iets anders nodig. Ik wend mijn blik af als de vader het jongetje stevig vastpakt, terwijl zijn moeder wat water in zijn mond probeert te spuiten. Ik kijk naar Lotte. Ze slaapt en snurkt als een bouwvakker. Naast haar bed staat een glas water. Ze heeft er twee slokjes uit gedronken. “Minislokjes.”
3.
In de auto is het cadeautjestijd. In de dagen vóór de operatie was Lotte met niets anders bezig dan de cadeuas die ze van iedereen zou krijgen. Nu zit ze stilletjes achterin de auto, met de doos in haar handen die ik haar heb gegeven. Ze kijkt er naar zonder dat werkelijk tot haar doordringt wat het is. Na drie minuten slaapt ze.
Geplaatst op 19.02.10
0