Brief aan Lotte

Lieve Lotte,

Vanmorgen zat je op de trap je schoenen aan te doen. Daar nam je uitgebreid de tijd voor en zoals dat wel vaker gaat: ik werd wat ongeduldig. ‘Laat mij nou maar even,’ zei ik. Een jaar geleden had je dit aanbod met graagte aanvaard. Die tijd is voorbij. In jouw ogen doe ik veel verkeerd. Gelukkig begrijp je wel hoe dat komt. ‘Ik ben iemand anders dan jij, dus ik wil dingen anders dan jij.’ Dingen zoals het strikken van je veters.

Er zijn momenten, steeds vaker, waarop het me lukt volwassen te reageren op je drang het op je eigen manier te doen. Vanmorgen was er zo’n moment.
‘Oké,’ zei ik en ik deed alvast de voordeur open. ‘Maar wel een beetje opschieten.’

Je schoot niet op. Vroeger schoot je altijd op.

Het verbaast me weleens met hoeveel gemak je je oude ik af schudt. Het verbaast me ook hoe vertrouwd de nieuwe versie me meteen is, ook al staat er niets meer op zijn plek. Je bent sneller boos, je daagt me vaker uit. Weg zijn je oude wil om te volgen, je oude wens om niet op te vallen, de kleuren die je lievelings waren en de lange gouden haren die tot halverwege je rug vielen.

De veranderingen gaan ook aan jou niet ongemerkt voorbij. Vorige week gaf je me een dubbelgevouwen paars blaadje, met een zon getekend op de voorkant. ‘Post,’ zei je. Ik ging naast je op de bank zitten en vouwde de brief open. Je pakte mijn vrije arm, legde die om je heen en schikte je lijf tegen dat van mij. Terwijl ik las wat je geschreven had, keek je de andere kant op, en begon je te snikken. ‘Lieve papa, sorry dat ik altijd zo boos doe’ had je geschreven.
‘Och meisje,’ zei ik. ‘Wat lief van je.’
Daarna huilde je m’n shirt nat.

De veter schoot weer uit z’n lus. Ik zuchtte.
‘Jij gaat met mij naar de kapper,’ zei je. Dat ik het even wist. Je haar hangt nog nauwelijks op je schouders, maar het is alweer veel te lang.
‘Schiet nou maar op,’ zei ik.
‘Echt hoor.’
‘Papa houdt van vrouwen met lange haren,’ zei ik.
‘Ja, dat weet ik,’ zei je en je lachte veelbetekenend. Nog zo iets wat je hebt geleerd: veelbetekenend lachen.
‘Maar ik vind kort mooier,’ zei je. De tijd dat je vader de maat der dingen was, ligt achter ons.

Als een vrouw verandert, is me eens verteld, moet er iets met het haar. Dus misschien word je wel langzaam een vrouw. Of misschien gaat het wel heel snel. Dat kan ook.

‘Schiet nou maar op,’ zei ik nog een keer.

Ik bedoelde de veter, Lotte. Ik bedoelde alleen de veter. De rest komt later wel.

Kus van papa.

Eerste Dag

Het was Sophie’s eerste dag in groep drie. In de klas was het wringen en dringen, want ik was niet de enige ouder die met z’n kind mee naar binnen ging. De stoelen stonden al in een kring. We zochten een plekje waar ze straks kon gaan zitten. Sophie’s vriendinnetjes van vorig jaar zaten al, maar op de stoelen naast ze zaten hun moeders.
Sophie aarzelde. Ze deed een stap naar haar vriendinnen, werd afgesneden door een vader die iets aan de juf wilde vragen, overwoog of ze zich tussen de moeder en haar vriendinnetje durfde te wurmen, aarzelde weer.
Ik vroeg me af of ik de enige ouder was die het op zulke momenten zou willen overnemen van zijn kind.
Sophie kwam weer naar me toe en legde haar wang tegen mijn buik.
Ik knikte naar een van de moeders. Ze knikte terug en schoof wat opzij.
‘Je kan er nog wel bij,’ zei ik zachtjes.
Sophie schudde haar hoofd.
Aan de andere kant van de juf was een heel bankje vrij.
‘Anders ga je lekker hier zitten,’ zei ik.
Ze ging zitten. Haar handen plat op de stoel, billen op de handen, schoudertjes wat omhoog. Ze keek naar de grond. Zelf kon ik me bang en eenzaam voelen op zulke momenten. Dat gevoel is nooit helemaal weggegaan. Ik slikte.
Er ging een jongen naast Sophie zitten. Een grote, van groep 5.
Sophie lachte verlegen naar hem.
‘Hoe heet jij?’ vroeg de jongen.
‘Ik heet Sophie,’ zei Sophie. De jongen moest voorover buigen om haar te verstaan.
‘Vind je het leuk om nu in groep drie te zitten?’
Sophie’s schouders ontspanden. ‘Ja.’
De jongen vroeg of ze op vakantie was geweest en of dat leuk was. En hij vertelde dat hij altijd naast juf moest zitten omdat hij een beetje druk was. Dat vond Sophie grappig. Ze draaide naar hem toe. Haar stem werd wat luider.
De juf zei dat ze wilde beginnen. De ouders stonden op. Ik kuste Sophie’s kruin en stapte langzaam achteruit.
Toen ik op de gang nog even door het raam keek, zat ze nog steeds met de jongen te praten.
Ze zat niet meer op haar handen.

Hoe lang nog?

Door de nieuwe draaipoort liepen we het terrein van mijn voetbalvereniging op.
‘Hoe lang moeten we blijven?’ vroeg Sophie.
Het scorebord gaf aan dat er achttien minuten gespeeld waren.
‘Nog heel lang,’ zei ik.
Ze stampte met een voet op de grond en zei: ‘Nou!’
‘Er is ook een speeltuin,’ zei ik.
Ze keek om zich heen. ‘Ja, die wipkippen zeker!’
Lotte lachte.
‘Nou!’ zei Sophie en ze stampte nog eens. Iets harder nu.
Ik knikte. ‘En anders gaan jullie een hut maken in de bosjes.’

Het was druk en zonnig langs de lijn. Na een paar minuten kwamen Lotte en Sophie me allebei hun jas brengen. ‘Je mag ‘m ook wel over het hek hangen hoor pap,’ zei Lotte.
‘Dank je,’ antwoordde ik.

Met de mannen van het derde evalueerde ik kalm de verrichtingen van het eerste op het nieuwe kunstgras. Ze werden kansloos weggetikt maar kwamen wel op voorsprong. Naast ons stond Ben. ‘Als ze dit niet winnen, ligt het aan de scheids,’ riep Ben tegen iedereen die in zijn buurt kwam. Dat riep hij in onze tijd ook al wanneer wij kansloos werden weggetikt en dat vonden we toen troostrijk.

Sophie kwam een schrammetje op haar voet laten zien. ‘En Lotte duwde me.’
Ik gaf haar een kus.
‘Scheids!’ riep Ben. Sophie keek hem verwonderd aan. Ben zag het niet. Hij maakte een wegwerpgebaar. Sophie rende weer naar Lotte, ze verdwenen de bosjes in.

Tijdens de rust begonnen de sproeiers zonder aankondiging te sproeien. Als ruitenwissers bewogen de waterstralen heen en weer over het veld. De wind blies de dikke sproeinevel terug naar de zijkant van het veld. De toeschouwers die de wind in het gezicht hadden, zochten een goed heenkomen achter het doel, bij de koffietafels. Lotte en Sophie liepen met grote ogen juist tegen de stroom mensen in. Ze zochten positie achter één van de sproeiers. Een teammaat van het derde stootte me aan. Ik keek naar de strakblauwe hemel. ‘Droogt vanzelf weer,’ zei ik.

Toen de spelers het veld weer op kwamen, gingen de sproeiers met een halfslachtig proestje weer uit. Lotte en Sophie lachten en deden het geluid na. Het klonk alsof ze moesten overgeven. De toeschouwers kwamen er weer aan en Lotte en Sophie renden terug naar hun bosjes.

Ik dronk mijn koffiebeker leeg en zocht mijn plek bij het hek weer op. Ben zei dat hij hoopte dat de scheids nu beter zou fluiten.

de Dominee

Na afloop van de wedstrijd kwam de laatste man van de tegenpartij onze kleedkamer binnen. Iets te zwaar, niet meer zo wendbaar, een bekend beeld in onze competitie. Hij stond tussen de vuilniszakken waarin wij na afloop onze tenues verzamelen. Kousen, broeken en shirts apart, dat scheelt uitzoeken.
‘Sorry jongens,’ zei hij. ‘Dat ging echt te ver.’
Er landde een bezweet broekje op zijn schoen. Dat was niet kwaad bedoeld.
Onze aanvoerder zei: ‘Het is elke keer hetzelfde met jullie.’
Daar had hij gelijk in. Wiron-uit, het is niet mijn favoriete wedstrijd. Maar misschien hadden we dat tijdens de wedstrijd iets teveel laten merken.

Dezelfde laatste man zei ergens in de tweede helft tegen onze aanvoerder: ‘Weet je wat, jij moet dominee worden.’
Ik glimlachte en herkende de opmerking als een instant-verjaardagklassieker.
Het scoreverloop hielp ook niet. Wij wonnen en het krachtsverschil was groter dan voorheen. Waarschijnlijk dachten ze: ‘vroeger lukte het wél.’
Ik ken dat.
En frustratie moet er uit. Dat weet elke voetballer.
De scheidsrechter zag zich een kwartier voor tijd voor de tweede keer genoodzaakt een van onze tegenstanders naar de kant te sturen. Wij reageerden verontwaardigd op de overtreding die de aanleiding was. De dader zei: ‘Wat moet je nou.’ Hij liep dreigend op onze aanvoerder af. De scheidsrechter had genoeg gezien. Hij floot af.

In de kleedkamer bedankten we hun laatste man: ‘Het is wel goed joh.’
‘Nogmaals sorry,’ zei de laatste man.
Toen hij weg liep, sleepte hij het broekje dat op zijn schoen lag een stukje met zich mee. Het belandde tussen de sokken. Onze aanvoerder bukte zich en gooide ‘t in de juiste zak.
Ik knikte: dat scheelt uitzoeken.

Na de zwemles

Om kwart voor vijf verzamelen de zwembadouders zich in het halletje bij de douches. Rond de vijfentwintig kinderen komen met opgetrokken schouders en blauwe lippen uit het zwembad. Er zijn zes douches. Eentje doet het niet. Sommige kinderen zijn wat gehaaider, die hebben meteen een douche. Sophie is niet een van die kinderen. Ze zwaait naar me en ik steek mijn handen tussen de doorzichtig plastic stroken door die als afscheiding dienen en ik peuter Sophie’s elastiekje uit d’r haren.
‘Ik mag naar blauw, pap!’ zegt ze. Ik geef haar een kus en zeg dat ik trots op haar ben. Ik stap weer terug het halletje in.

De kinderen onder de vijf douches doen rustig aan. Hoewel ze staan te bibberen, wachten de twintig anderen geduldig tot er een plekje vrij komt en áls er een plekje vrij komt en een ander kindje is er eerder bij, doen ze rustig weer een stapje terug. Deze kalmte werkt elke week aanstekelijk op me, dus ik maak het me gemakkelijk tegen de kluisjeswand in de hal.

Na twee minuten duikt de eerste moeder met haar hoofd de douches in. Het is meestal de moeder van Jaimy. Ze vindt dat Jaimy moet opschieten. Maar Jaimy heeft het koud. Ze wil douchen.
‘Ik sta hier ook niet voor m’n lol!’ roept de moeder van Jaimy. Jaimy loopt sip achter haar mama aan.

De moeder van Jaimy is niet de enige. Al die moeders roepen dat ze nog moeten koken of boodschappen doen of andere dingen die belangrijker zijn dan een warme douche voor hun kind. Ik weet dat ik hier straks met nog twee moeders sta te wachten. We hebben dan ons hoofd geschud om die ene oma die er elke week voor kiest om uit de kleedkamer naar haar kleindochter te gillen dat ze op moet schieten: ‘Anders gaat oma NU weg en dan zoek je het maar uit!’

Ik geef Sophie wat shampoo in haar hand. Ze is nu met twee andere meisjes over. Ze wast haar haren.
‘Je mag ook wel even in de kleedkamer wachten tot ik kom hoor, pap,’ zegt ze geruststellend. Dus dat doe ik.

windkracht 7

We liepen van de kleedkamer naar het veld. In het halletje klonken onze noppen helder. Buiten overstemde de wind elk geluid. We mochten op het hoofdveld. Een paar teamgenoten aarzelden, ze keken naar het bijveld, verderop, achter de kale bomen. Ik stapte over het hek. Ik ben graag als eerste op het veld.

Ik rende naar de overkant. De klei plakte aan mijn noppen. Toen ik bij de zijlijn was, draaide ik me om. Ik kreeg de wind recht in mijn gezicht en rende wat harder. Ik liep een paar keer heen en weer. Het viel mee, mijn benen protesteerden niet. Links en rechts van me waren plukjes ploeggenoten aan het warmlopen, traag en met hun gezicht naar de grond. Het begon te regenen.

Ploeggenoot R. kwam als laatste uit de kleedkamer. Hij had drie trainingsjasjes over elkaar aangetrokken en zijn handen staken diep in de zakken van zijn trainingsbroek. Hij liep rechtstreeks naar de dugout.
‘Zo,’ zei hij.
Ploeggenoot R. had een zware nacht gehad. Zijn stem kraakte en zijn gezicht was gekreukeld. In de kleedkamer wilde hij liever met rust gelaten worden.
‘En?’ had iemand gevraagd.
‘Niks,’ zei ploeggenoot R. ‘Gelukkig niet.’
Ik zei niets en dacht aan mijn lief. ‘Mag dat wel, voor de wedstrijd?’ had ze vanmorgen gevraagd.

De tegenstanders kwamen het veld op. Het waren jonge jongens. Begin twintig.
‘Die spits is er niet bij,’ zei ploeggenoot R. vanuit de dugout.
‘Die lange dikke?’ zei ik.
Ploeggenoot R. knikte. ‘Die was best goed, vorige week.’
Vorige week hadden we met 5-0 verloren.

Toen de scheidsrechter het veld op kwam, gaven we onze trainingsjasjes aan ploeggenoot R. in de dugout. Ik trok de mouwen van mijn shirt over m’n handen en liep naar mijn plek in het veld. De eerste helft hadden we de wind mee, de tweede helft tegen. Het werd 0-0. Ploeggenoot R. kwam tien minuten voor tijd in het veld. Hij raakte twee ballen. Eén keer balverlies.

Zeven jaar

Lieve pap,

Ik denk niet meer elke dag aan je. Ik hoop niet dat je dat erg vindt. Ik heb wel een troost voor je: je bent in goed gezelschap. Ik denk ook niet elke dag aan mama, of aan Christa of Lex. Er is zelfs wel eens een dag waarop ik niet uitgebreid stil sta bij de dingen in het leven van mijn dochters. Toch hou ik van ze. Net als van jou.

Je bent nu zeven jaren weg maar je weet volgens mij nog wel hoe de dingen langs me heen kunnen bewegen. Dat het leven zich om mij heen voltrekt, dat ik er zelfs naar kijk, en dat ik niet zie wat ik zie. Zo heb ik vandaag op mijn werk drie keer de datum op een memo moeten zetten en besefte ik pas vanavond bij mama dat het vandaag je sterfdag was. Mama had daar ook nog eens veel hints voor nodig. Ik hoop niet dat het haar verdriet deed. Ze is een harde, maar ook niet. En ik was niet in staat er een mooie draai aan te geven. Dat besefte ik me toen ik de poort uit fietste, dat ik er een mooie draai aan had moeten geven: gewoon zeggen hoe onattent ik ben. Een knuffel. Niet gedaan.

Het lukte me ook al niet om haar digitale TV weer aan de praat te krijgen. Ik trok aan kabels en zei dat het aan de scartkabel lag en mama vroeg wat dat was en hoe dat kwam en wat er moest gebeuren en ik zei dat ik dat niet wist en ik testte de kabels en zei dat het toch aan het kastje lag. Ik zei dat ze Ziggo moest bellen en ze vroeg of ik dat wilde doen, dus dat deed ik. Dat was natuurlijk jouw taak.

Het zijn heftige jaren geweest, pap, sinds je dood. Dat zei ze, mama. En dat is zo. Zonen en dochters vinden het helemaal niet nodig dat hun ouders wakker liggen over hun sores. Het komt altijd weer goed, namelijk. Maar daar gaan wij zonen en dochters dus niet over. En dus ligt ze wakker. Om mij. Om Christa. Om Lex. Waak je een beetje over d’r, alsjeblieft?

Het is een rare tijd, pap. Ik vraag me af wat ik tegen je zou hebben gezegd als je er nog was. Niet veel, waarschijnlijk. Dat deed je altijd knap. Je liet het aan ons. En ik hield mijn mond als het belangrijk werd, en praatte het vol wanneer het maar nergens over ging. Ik wil je wat vertellen, pap: dat laatste, dat is wel veranderd, in die zeven jaar. Denk ik. Ach weet ik veel. Ik had je er nu in ieder geval graag weer even bij gehad. Niet om te praten hoor. Gewoon even voetbal kijken. En dat jij dan tegen mama zou zeggen dat het wel los loopt met mij.

Tot de volgende keer, pap. Als ik weer aan je denk. Misschien morgen al. Maar dat weet ik dus niet zeker.

Kus,
Ralph