Hechting

Vrijdagavond laat stond ik met mijn collega’s in een kroeg in de Pijp. Ze zijn allemaal jonger dan ik en hebben allemaal een relatie. Op de een of andere manier gaat het dan al snel over mijn vrijgezelle status.
Met een ‘Ik wil niet lullig doen,’ kondigde Wim een lullige opmerking aan. ‘Maar hoe ouder je wordt, hoe kleiner de kans is dat je een beetje een normale vrouw vindt.’
Ik lachte en knikte Wim bemoedigend toe. Hij is een analytisch ingestelde jongen, stelt zichzelf altijd voor als datamannetje, dus er kwam nog meer.
Zijn theorie was dat alle mensen met een gezonde hechtingsstijl als eerste van de markt verdwijnen en dat wat overblijft, plus degenen die weer terug op de relatiemarkt komen, te kampen hebben met een min of meer ongezonde hechtingsstijl. ‘De gekkies blijven over Ralph.’
Het was duidelijk dat hij hier heel wat denktijd in had zitten.
‘Zoals ik bedoel je?’
‘Nou. Eh. Weet ik niet?’
Ik vroeg hem of hij denkt dat hijzelf een gezonde hechtingsstijl heeft. Daar lachte hij wat ongemakkelijk bij. ‘Mijn vriendin in ieder geval wel. Heel gezond.’ Hij klonk zoals een jonge man moet klinken over zijn liefde, verwonderd en bewonderend. Ik was blij voor hem.
‘Denk je niet dat het juist de mensen met een ongezonde hechtingsstijl zijn die rond hun dertigste als gekken in relaties duiken?’ vroeg ik.
Ik twijfelde of ik hier in Kingfisher moest beginnen over al die ongezonde relaties die nooit eindigen maar waarin de een de ander verantwoordelijk houdt voor zijn geluk en vice versa. Beter van niet.
Wim peinsde wat, plukte aan zijn baard en er kwam wat ik verwachtte, want zo gaat dat ook in werkbesprekingen: een verontschuldigend lachje en een herhaling van zijn theorie. Plus nog een keer sorry, omdat hij geen beter nieuws voor me had.
Ik besloot tot een laatste nuancering, in een taal die hij sowieso begrijpt. ‘Maar in jouw theorie is de mens ceteris paribus,’ zei ik. ‘Daar gaat het mis.’
Wim knikte.
‘Mensen léren Wim,’ zei ik. ‘Jij nog niet natuurlijk. Maar dat komt vanzelf.’
Ik tikte mijn glas tegen dat van hem.
We dronken.
‘Maar het klopt gewoon wel wat ik zeg,’ zei hij.
‘Ik weet dat je dat vindt,’ zei ik.
‘En dat bedoel ik dus écht niet lullig voor jou.’
‘Dank je.’

Minder stellig

Elke ochtend lees ik in de trein het nieuwste stukje van Jan van Mersbergen. Behalve een mooi, kalm begin van de dag, is het voor mij ook een herinnering dat je schrijven gewoon moet doen: bij hem begint of eindigt elke dag met het schrijven van een stukje, ik weet niet hoe laat hij zijn stukjes schrijft. Ik zit al vroeg in de trein, rond een uur of zeven, en ik vermoed dat het schrijven van de stukjes hem makkelijk af gaat. Of beter, ik hoop dat voor hem. Hoe vroeg zou hij moeten opstaan als elk stukje een worsteling zou zijn?

Zijn stukjes zijn korte beschrijvingen van alledaagse gebeurtenissen. Meestal houden de stukjes me iets op afstand. De dingen waar het in zijn leven, in het leven, werkelijk om gaat – leven, liefde, angst, blijdschap – blijven voor mij buiten bereik. Kan aan mij liggen, te weinig herkenning. Of aan wat hij kwijt wil. Het is anders sinds hij kort geleden vader is geworden. Opnieuw vader is geworden, moet ik misschien zeggen. Hij heeft al twee kinderen, in de leeftijd ongeveer van mijn kinderen. In een van zijn stukjes schreef hij over mensen die geen kinderen willen. Er zijn vast argumenten, zegt hij, maar het beste argument is het kind, het kind maakt de wereld het waard om kinderen op te zetten. ‘Door het kind is ons leven het waard om geleefd te worden’.

Ik weet dat want ik heb kinderen en het was goed weer eens stil te staan bij het geluk dat ze me brengen. Er gebeurde nog iets anders. Ik kwam aan het nadenken over mijn eigen stelligheid. Na mijn laatste relatie zei ik tegen iedereen die het horen wilde en vooral tegen mijn familie dat ik geen kind meer wilde. Praktische bezwaren. Ik ben al oud. Ik heb het allemaal al meegemaakt. De opluchting die ik voelde bij het einde van de relatie: ik hoefde niet nog een keer. Jan is een jaar of vijf ouder dan ik, ook kinderen, ook gescheiden en misschien had hij zich ooit ook wel voorgenomen er niet meer aan te beginnen. Zijn stukje maakte me minder stellig, weet ik veel wat er in vijf jaar gebeurt. De woorden van een vriend deze week, hoe simpel ook, deden hetzelfde, blijkbaar ben ik er mee bezig. ‘Je kunt dat toch niet uitsluiten,’ zei die vriend. ‘Weet jij nu hoe je leven loopt en op wie je verliefd wordt en wat je dán wilt?’

Dat wist ik niet. En ik merkte dat het ruimte gaf om dat niet te weten. Meer ruimte dan het wel weten. Iemand legt me vast een keer uit hoe dat werkt.

Vier dingen over onze vakantie

1.
Lotte vroeg of we weer gingen kamperen met Estivant. Estivant organiseert kampeervakanties voor alleenstaande ouders en hun kinderen. We gingen al vaker. De kinderen vinden dat fijn, en ook ik vind het prettig om te weten waar ik terecht kom. Ik ben niet zo’n avonturier. Dat is niet modieus om te zeggen, ik weet het, maar het is zo. Wat me het meest bevalt aan Estivant is dat ik ons alle drie een prettige week bezorg, zonder dat ik elke dag hoef na te denken welke leuke dingen we nu weer moeten ondernemen.
Estivant staat ver van mensen af en de reacties zijn voorspelbaar. Al die vrijgezellen in die tenten en de hormonen en nou ja, je snapt het verder wel, maar zo’n vakantie is het niet. Niet dat het verboden is, het is net het echte leven, ik kom daar verderop in dit stukje op terug, het is alleen… Ach je snapt me wel. Ook zijn er veel mensen die niet houden van verplicht gezellig doen met elkaar. Ik ben zelf ook een van die mensen. Ik kan goed alleen zijn, maar als ik eerlijk ben heb ik dat sinds mijn verhuizing naar Haarlem vaak gebruikt als excuus. Ik bén vaak alleen. Dat is iets anders. Liever ben ik onder de mensen. Bij Estivant gaat dat vanzelf.

2.
Het is leuk om trots te zijn op je kinderen. Dat je denkt: wat zijn ze toch goed gelukt. Het is ook alsof ze ergens in het afgelopen half jaar hadden afgesproken om te stoppen met het gedoe. Dat begon al voor vertrek, toen ze zonder morren hun veel te kleine koffer vulden met kleding én al het andere wat ze nodig dachten te hebben. Lotte regelde alles onderweg. Sneller dan ik weet ze zich te oriënteren op vliegvelden en parkeerplaatsen vol huurauto’s en eigenlijk overal waar ik het soms het even niet weet. Sophie hield in de gaten of ik het nog een beetje leuk vond allemaal. Op de camping wilden ze liever naar het zwembad met de luide muziek dan naar het strand, en dat liet ik maar zo. Ze maakten snel vriendinnen en kleine kinderen werden hun fans waarmee ze geduldig Uno speelden, en ze gingen zonder morren mee naar een antiek dorpje. Daar zeurden ze niet om een ijsje, maar ze kregen er wel een. Oh, en Lotte vroeg of ze naar de disco mocht. ‘Het begint om half twaalf al.’ Die had ik niet zien aankomen.

3.
Op donderdag was er voor de kinderen een spooktocht in het donkere bos naast het strand. Ik was een van de spoken. Samen met een van de moeders moest ik me langs de route schuil houden. We gingen verkleed en geschminkt onder een struik zitten wachten tot de kinderen kwamen. Dat duurde lang maar ik zat daar graag, met haar. Na zo’n drie kwartier hoorden we spook één brullen bij de ingang van het bos, naar later bleek per ongeluk naar een groep Italianen die dat niet zo konden waarderen. Nog weer twintig minuten later brulde hij weer, en herkende ik de stemmen van Lotte en Sophie in het gegil. Van de moeder en mij schrokken ze al een stuk minder.
De volgende dag dacht ik steeds aan de moeder onder de struik en dat bleef ik doen, ook thuis, ook nu nog. De moeder had een vriend in Nederland, dus het bleef bij denken en het was goed om weer eens iemand zó leuk te vinden, een staat van zijn die ik vergeten was. Het herinnerde me er aan dat ik voor minder niet mag gaan.

4.
Terug in Haarlem renden Lotte en Sophie meteen naar boven, waar ze de rest van de middag druk waren. Ik plofte beneden op de bank. De dag erna bracht ik ze naar hun moeder. Ik heb normaal gesproken niet zo veel last van ontwenningsverschijnselen en ik denk ook niet dat het dat was. Er kneep wel iets, en wat ik de laatste tijd wel vaker heb, er kwam iets van verdriet bij, verdriet dat ik niet kon thuis brengen en eenvoudig weg zuchtte. Ik deed wat was en keek wat tv. De zon scheen heel hard, dus ik moest eigenlijk leuke dingen doen. Met mensen. Dat deed ik niet.

Niet

Na het werk gingen we borrelen in Langerijs aan de Amstel. Goeie tent. Bier, vette worst, toeristen, studenten. We streken neer aan de hoek van de bar. We lachten en praatten steeds harder door elkaar heen en de barman, ja die snapte het wel, die smeerde ons behalve rookworst ook hete balletjes aan en een kaasplankje en nog een rookworst. Alles ging op.

Ik heb jonge collega’s. De een zei dat zijn vriendin bij hem in wil trekken en dat nu hun relatie van zijn antwoord af hing. De ander zei dat het niet zo zwart wit was en daarmee was alles weer opgelost. Ik wist beter, dit was pas het begin, maar ik zweeg.

Iets verderop zat een leuk meisje. Af en toe keken we elkaar aan en dan glimlachten we. We vertrokken tegelijk. Haar vriendin ging pinnen, ik was na haar aan de beurt. Het leuke meisje kwam naast me staan. ‘Hoi,’ zei ze, maar ik ken dat ondertussen. Eerst is alles leuk, dan wordt het serieus en begint er iets te wringen en daarna trek ik me terug. Dus ik had haar kunnen vragen of ze nog wat wilde drinken, ook al ben ik geen held in die dingen, en heel misschien had ze dan ja gezegd, maar ik deed het niet.

Cinematic Universe

Ik heb een bruinleren stoel die ik mijn Joey chair noem. Nog gekocht met mijn vriendin, die nu mijn vriendin niet meer is. ‘Gaan jullie voor comfort, of voor esthetisch,’ vroeg een verkoopster. Bij comfort keek ze naar mij, bij esthetisch naar mijn vriendin. We kochten er een die comfortabel genoeg was, maar veel te esthetisch om een Joey chair te zijn.
Toen ze verhuisd was nam ik een week vrij, maakte een pan macaroni en een pan nasi voor de hele week en ging ik in die stoel zitten om films en series te kijken. Ik wilde iets kijken wat ik niet eerder met mijn vriendin keek, en wat ik ook niet zo snel met haar zou kijken. Belandde automatisch in de Marvel Cinematic Universe. Ik ging het allemaal kijken, in de volgorde die een of andere nerd op internet had uitgestippeld. Film na film na aflevering na aflevering en door de luxaflex zag ik het leven buiten gewoon doorgaan, steeds verder weg en steeds surrealistischer. Moeders met kleine kinderen. Eindeloos moeders met kleine kinderen in m’n straat. Doodeng. Ik deed de luxaflex dicht.
Ergens halverwege het tweede seizoen Agents of S.H.I.E.L.D. draaide ik m’n Joey chair een kwartslag. Weg van de Cinematic Universe. Het was inmiddels donderdag, de pan nasi was halverwege en mijn eieren waren op. Misschien moest ik naar buiten.

Alleen

Mijn vriendin heeft een huis gevonden. Zaterdag is ze verhuisd, ik heb haar geholpen met sjouwen. Ik steeds die trappen op en af, zij inrichten, enthousiast, blij. ‘Hoe vind je het?’
Ik noem haar nog steeds mijn vriendin, maar ze is bij me weg, en ik bij haar. Een conclusie dringt zich ondertussen op: ik ben niet goed in relaties. Naarmate het samen zijn langer duurde, verliet mij telkens de lust om er nog iets van te maken. Ik durf mezelf de vraag nog niet te stellen wat dat over me zegt. Laat staan de vraag of ik misschien moet veranderen, en hoe dan. Misschien ben ik gewoon beter geschikt voor een leven zonder relatie.
En dan nu. Het kost me niet veel moeite om me een leven alleen voor te stellen. Moeilijker stel ik me een leven tussen de mensen voor. Misschien ben ik altijd wel alleen. Is alleen zijn in mij en neem ik het overal mee naar toe. Misschien doe ik gewoon een beetje dramatisch. Kan allemaal.

Begin

Mijn vriendin zei dat ze me steeds meer begon te haten. Ik wist dat ze dat niet meende, maar ze zei het toch. Ze zette iets in gang.

Het zijn kleine stapjes. Eerst de constatering dat ze het niet meer trok, dat er iets moest veranderen. De verwijten over en weer. ‘Nee, maar jij…’ ‘En jij dan?’

Later, toen ze gekalmeerd was, zei ze dat ze het niet had moeten zeggen. Daarna praatten we over de komende maanden. Ze moest een huis zoeken en dat zou best lang kunnen duren.

‘En ik ben nog wel je vriendin,’ zei ze. ‘Ik wil niet dat je me ineens laat vallen. Ze huilde.

Ik zei dat ik haar niet ineens zou laten vallen. ‘Je kent me toch.’

Ze knikte. Ze kende me toch. En ze haatte me niet.

We gingen slapen. In hetzelfde bed. Daar had ik nog nooit bij stilgestaan. Nu wel.

De regels van Paul

De tweede helft van de allerlaatste voetbalwedstrijd die ik ooit zou spelen was tien minuten bezig toen scheidsrechter Paul naar me toe kwam.
‘Zou je je niet laten vervangen Ralph,’ zei Paul. ‘Straks loop je nog wat op.’
Ik liet me natuurlijk niet vervangen, maar ik glimlachte om Paul’s bezorgdheid. Paul floot ons nu al zeven jaar en hij had me al vaak uit zien vallen na een overmoedig sprintje diep in de tweede helft.

Zeven jaar geleden begon mijn derde voetballeven. Na het jeugdvoetbal en de vijftien jaar in het eerste, met al dat trainen en elke week minstens één wedstrijd, belandde ik in een vriendenteam. En daarmee belandde ik in het domein van Paul.
Hoe leg ik dat uit?
Paul had zo zijn eigen opvattingen over eerlijk en ‘volgens de regels’. Hij hing meer aan de regels van een goed en vriendelijk leven, dan aan de strikte regels van het voetbalspel. Prachtig, natuurlijk, maar het zorgde door de jaren heen voor de nodige misverstanden.

Ik herinner me die keer dat hij liet doorspelen toen onze spits, volkomen vrij voor het doel van de tegenstander, heel hard van achteren werd geschopt. Penalty, dacht zelfs de tegenstander.
‘Nee hoor,’ zei Paul. ‘Niels had al veel eerder kunnen schieten, maar hij moest nog even dollen. En hij heeft er toch al vier gemaakt.’
Wij boos, en Paul haalde zijn schouders op alsof hij wilde zeggen: je moet niet bij mij zijn.
Ergens vonden we dat hij wel een punt had. Maar echt volgens de voetbalregels was het niet.

Ook herinner ik me een zondag waarop Paul een kwartier voor het einde affloot bij een stand van 3-1. Hij vond dat de wedstrijd wel gespeeld was, pakte de bal in zijn handen en stapte doodgemoedereerd van het veld, tweeëntwintig spelers stonden elkaar achter hem verbaasd aan te kijken. ‘Jullie deden er allemaal weinig meer aan,’ zei hij later in de kantine.
Daar had hij weer een punt.

Voor Paul bestaat de wereld uit aardige, goedwillende mensen. Hij lijkt elke keer oprecht aangedaan als een van die aardige mensen iets onaardigs doet of zegt. En op een voetbalveld doen en zeggen mensen nogal vaak onaardige dingen. En in mijn team al helemaal.
Paul kon daar maar slecht aan wennen.
Veel van ons konden ook maar moeilijk aan Paul wennen. Maar toch redden we het.

Tijdens onze laatste wedstrijd maakte onze spits Marlon een onschuldige overtreding. Niks aan de hand. Toch stuurde Paul hem naar de kant voor een verplichte wissel. Een maatregel die alleen in de jongste jeugdteams nog wel eens wordt toegepast.
‘Eerst riep je dat ze hem aan moesten pakken,’ zei Paul. ‘En toen deed je het ook nog.’
Marlon ging zonder morren wisselen.
Wij vonden dat mooi.
Paul vond het niet meer dan logisch.

Verhuizen

Over twee weken gaan mijn kinderen met hun moeder verhuizen naar een andere stad. Lotte heeft het onderwerp al maanden geleden tot verboden gebied verklaard. Sophie kiest er juist voor om de positieve kant te benadrukken. ‘Ik krijg een hele mooie kamer.’
Ik had van beide meiden niet de indruk dat het de verhuizing makkelijker voor ze maakte, maar ik wist ook niet direct wat ik er aan kon doen.
Soms komt hulp uit onverwachte hoek. Vorige week keken ze voor het eten een stukje van een film en in die film zei een jongen dat hij boos was op zijn ouders, omdat die niet begrepen dat de verhuizing hún droom was, en niet die van hem.
Die zin hing nog in de lucht toen we aan tafel gingen.
Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, dus ik schepte hun borden maar vol.
Sophie zei: ‘Mama zegt dat ze ook vaak verhuisd is, maar die was toen al groot. En ik ben pas acht dus dan is het anders.’
‘Hoe anders, lieverd,’ vroeg ik.
‘Voor mij is het eng.’
Lotte legde haar voorhoofd op tafel en begon te huilen.
Sophie ging verder. ‘Soms moet ik op school rekenen en dan moet ik nadenken. Maar dan zit mijn hoofd al vol met de verhuizing. Maar dan wil ik niet verdrietig worden, dus dan denk ik aan iets leuks zoals mijn nieuwe bureau. Maar dan is dat er allemaal, dus de verhuizing en mijn bureau. En dan is er geen ruimte meer voor de sommen.’
Lotte stopte met huilen. ‘Ja!’ zei ze. Ze pakte een roodwit geblokt servet en vouwde het open.
‘Kijk.’ Ze pakte een pen. ‘Als dit mijn hersenen zijn… Dan is dit hoeveel ik over de verhuizing denk.’
Ze zette een streep.
‘Dat is best veel,’ zei mijn vriendin. ‘Waarvoor is er nog meer ruimte?’
‘Voor mama missen. Voor school.’ Ze zette driftig strepen.
‘En die laatste hokjes?’ vroeg ik
‘Dat papa stom is.’ Ze keek me uitdagend aan.
‘Hm,’ zei ik.
Sophie gaf mij haar servet. ‘En jouw hoofd papa?’
Ik draaide het om. De witte kant boven.
‘Ik denk nooit na, dat weten jullie toch.’
Daar moesten ze om lachen.

Zeven

Woensdag werd Sophie zeven jaar. Op dinsdag kwam ze naar me toe. ‘Pap,’ zei ze. ‘Ik heb vlindertjes in mijn buik.’ Ja, ze kan het mooi vertellen. Sophie neemt graag de wereld om zich heen zwijgend in zich op, om dan even naar het plafond te kijken en er woorden aan te geven. Daar durft ze de tijd voor te nemen. Ze kwam eens uit school en zei: ‘Juf wilde wat meer op mij lijken, want ze is zelf zo druk.’ Soms gaat het Sophie allemaal te snel. Dan wil ze haar verhaal vertellen en is haar zus weer eens sneller en dan gaat ze van stilstaand naar kokend water in minder dan een seconde en stampt ze een gat in de grond. ‘Ook! Naar! Mij! Luisteren!’ En dan glimlachen we en luisteren we ook naar haar.

Woensdag werd Sophie zeven jaar. Ik ben co-ouder. Ik moest haar door de telefoon feliciteren. Stomme papa. Laatst vroeg ze me wanneer ik weer met mama ging trouwen. Dat we ooit samen in één huis woonden, weet ze alleen van foto’s. Ze was twee. Ook haar overtuiging dat ze met mij én met mama gaat trouwen slijt nog maar nauwelijks. ‘Dan moeten jullie bij mij wonen!’ Woensdag werd ze zeven en dus belde ik haar en ze vertelde over de kaptafel die ze had gekregen en dat ze de klassen was rondgegaan en dat haar zus derde was geworden bij de scholierenveldloop: ‘maar dat wilde Lotte zelf vertellen dus doe maar alsof je dat nog niet weet.’ Daarna zei ze doei want ze moest weer verder met haar make-up.

Donderdag vierde Sophie haar kinderfeestje. De tafelschikking bij het taart eten en cadeautjes geven gaf wat problemen. De meisjes vonden allemaal dat ze Sophie’s hartsvriendin waren en vroegen haar of zij dat ook vond. Sophie keek een tel glunderend voor zich uit maar wist niets te zeggen. Zo’n moment waarin ouders iets extra’s herkennen, dus haar moeder en ik keken elkaar even aan. Dat het goed was. Dat we een fijn kind hebben. Daarna kwamen de cadeaus, werd er geschilderd en op tafel gestaan. In bomen geklommen en pizza gemaakt, disco gedanst in perfecte Kinderen voor Kinderen choreografieën en Sophie had minstens zes keer de slappe lach.

Donderdag toen alle kinderen weg waren en het huis weer was opgeruimd, trok ik mijn jas aan want ik moest weer naar mijn eigen huis. Ik vroeg aan Sophie of ze genoten had. Ze haalde diep adem en rende in mijn armen: ‘Pappie, ik vind je zo lief!’

Eigenlijk was dat mijn tekst.