Mijn huis

Ik woon intussen al bijna tweeënhalf jaar in Haarlem, maar gek genoeg vroegen de afgelopen maanden los van elkaar verschillende mensen of het nog okee was. Ze dachten blijkbaar dat ik in Schagen was gebleven als de vriendin van toen er niet was geweest. Dat is niet zo. Misschien was ik zonder haar niet precies hier beland, in dit perfecte huis in deze volkswijk in deze mooie stad, op een ruim kwartier van mijn kinderen en hun scholen, maar hee, details.

Het kan best dat ik dat niet zo heb uitgestraald, waarom zouden ze er anders over beginnen? Maar het huis is bijna af. Er waren klusjesmannen, eentje won ik via een actie over de grootste klusblunders op de radio en die schilderde mijn klassieke trap die al die tijd zo haveloos bleef. Het laatste, het meeste, schilderde ik daarna zelf, en ik merkte dat het huis met elke keer schuren, met elke laag zijdeglans RAL9010 en met elke keer dat ik het deksel weer met de achterkant van de keukenschaar op de verfpot sloeg meer van mij werd.

Ik was dit jaar een paar keer in die kroeg in Schagen waar alle feestjes altijd waren, en vanavond ben ik in de kantine waar ik het honderden keren laat maakte en het zal weer voelen als thuis komen. Het interieur is veranderd, verder zal alles bekend zijn, de koppen, de gesprekken. Het gaat niet om de verhalen die we al eerder vertelden, en de grappen waarom we al eerder lachten, het gaat om het ritme en de cadans van zo’n avond, vaste patronen die me niet alleen fysiek terug brengen in mijn dorp waar ik iedereen ken, en waar ik weet wat er om elke hoek te vinden is.

Ik voel me er thuis, in mijn dorp, meer dan ik verwacht me ergens ooit thuis te zullen voelen, vanwege al die jaren, dat ritme dat deel van me is geworden, net als de lucht en de mensen, mijn grote familie. Ook snap ik nog steeds waarom ik er weg ging en is het niet waarschijnlijk dat ik weer terug zal gaan, ik heb een nieuwe plek gevonden, en die staat strak in de verf.

De ringen van de boom

Het werd langzaamaan een jaarlijkse traditie, mijn angst voor de eindejaarswedstrijd van mijn zaalvoetbalclub. Al die jongens voetballen nog wekelijks met elkaar. Alleen ik niet. Toch schijn ik elk jaar de eerste te zijn die reageert op het mailtje van Theo. Misschien wel juist daarom. Dat mailtje komt meestal in oktober. ‘Vanaf nu niks meer doen,’ mailt Theo dan. Hij weet hoe dat gaat met die spieren van mij. Maar het zijn niet eens mijn spieren die me schrik bezorgen, gewoon rustig aan en veel wisselen, nee, het is iets anders. Het hele jaar kan ik doen alsof er niks aan de hand is, dat ik nog steeds de atleet van weleer ben, maar in die kleedkamer niet. Scherprechter is al jaren het moment dat in de kleedkamer de shirts verdeeld worden. Ik was een keer wat laat, was er alleen een maatje S over, wit. Ik als een rollade over het veld. Voor iedereen leuk. Voor mij wat minder. Dus nu duik ik al jaren als eerste in de kledingtas, op zoek naar een XL. Symptoombestrijding.

Dat moest anders.

Begin maart had ik een intake bij die manueel therapeut annex De Wonderdokter uit Bos en Lommer, die mij voor eens en altijd van mijn spierproblemen zou afhelpen, zodat ik kon gaan hardlopen, zodat ik weer strak in mijn vel zou geraken, zodat, etc. Ik liep in mijn onderbroek heen en weer over zijn vergeelde laminaat, hij voelde aan mijn rug en mijn benen en ondertussen vertelde ik hoe het zat.
‘Ja maar wacht even,’ onderbrak hij me. Ik zat op de behandeltafel, en hij leunde in de vensterbank, met zijn lange benen en zijn grote handen. Imposante man, die wonderdokter. Stilte. Best fris ook.
Ik wachtte even, want dat vroeg hij.
‘Kijk,’ begon hij. ‘Van hardlopen is nog nooit iemand afgevallen.’ Ik lachte en keek om me heen voor steun, maar we waren met zijn tweeën in de kamer.
‘Na je veertigste zijn er twee mogelijkheden,’ ging hij verder. ‘Of je krijgt er elk jaar, als een boom, een ring bij, of je verandert je leefstijl.’
Hij stelde wandelen voor. Wandelen. Sekslozer dan een beige fleecetrui.
‘Wandelen?’ vroeg ik.
‘Wandelen,’ antwoordde hij. Elke dag. Maar hij wilde me wel behandelen hoor, geen probleem, alleen jammer dat mijn verzekering het niet dekte.

Dus ik wandelen. Elke dag, twintig minuten naar het station, een kwartier naar mijn werk, weer terug, en in het weekend naar de stad, enzovoort. Het slot van mijn fiets roestte langzaam dicht en ik installeerde een app waarop ik invulde wat ik precies at en dronk en die app vertelde mij welke calorieën precies te veel waren, en dat bleek reuze mee te vallen.

Ik kocht een weegschaal en hield mijn buik in als ik er op stapte, dat hielp niet maar het wandelen en het calorieën tellen hielpen wel en de kilo’s gingen, eerst snel en toen langzaam en ik installeerde nog een app, de seven minute workout, en ik deed die oefeningen elke ochtend, of nou ja, bijna, en na de zomer hoefde ik mijn buik niet meer in te houden op de weegschaal en was ik veertien kilo kwijt.

Op een borrel raakte een knappe jonge vrouw mijn bovenarm aan en ze zei ‘zo zo, spiertjes?’ en ik dacht aan de wonderdokter met de lange benen en de grote handen, aan de rondjes die ik niet rende, aan die ring die er niet bij kwam en aan al die ringen die ik kwijt was, en vooral dacht ik aan dat moment eind december in die kleedkamer in de Groeneweghal, wanneer ik voor het eerst sinds jaren onbevreesd en zonder te kijken een shirtje uit die kledingtas trek.

Met andere ogen

Ik ging ik met de oudste schoenen kopen. Ze wist precies welke het moesten worden, zwarte veterlaarsjes, en had de hele middag plaatjes en filmpjes gekeken op haar telefoon. Ineens was er haast. We moesten nu gaan, precies nu, want haar moeder was ook in Haarlem en dan kon die de schoenen uit haar kleedgeld betalen. In winkel twee vond ze de perfecte laarsjes en het grappige was, ze wilde echt weten wat ik vond. Ik vond ze mooi, en ik meende het en ze knikte dus ik dacht, zo, klaar. Maar ze wilde ook andere winkels in dus daar gingen we, hup pap, kom, en ik volgde, en precies toen we weer bij die eerste winkel waren, kwam ook haar moeder er aan lopen met haar nieuwe man en zo georganiseerd en op de minuut gepland ben ik mijn hele leven nog nooit de deur uit geweest. Goh, dacht ik. Dus u bent vanaf nu mijn puberdochter. Aangenaam.

Ze is snel veranderd in 2017. Ouder geworden, om precies te zijn. Ken je dat, plaatjes die je op twee manieren kunt zien? De oma die ook een jonge vrouw is? Dat was ook met mijn oudste aan de hand: kind maar ook geen kind meer. Dat ging eerst wat aan me voorbij, daar ben je vader voor tenslotte, en ik herinner me precies de seconde in 2017 waarin het plaatje toch kantelde.

Dat gebeurde in Orléans, suf provinciestadje zuidelijk van Parijs, waar we onderweg naar onze zomervakantiebestemming een tussenstop maakten in een hotel. Toen we de stad in liepen om wat te gaan eten, moesten we wachten voor een stoplicht aan zo’n veel te drukke stadstraat. Loom gleden de brikkige auto’s voorbij en tussen al die Citroëns en Renaults was er een jongen op een brommer, zo’n ouderwetse, die vaart minderde. Een hand kwam los van het stuur en hij draaide zijn bovenlichaam onze kant uit. Jaar of zestien, bleek zoals Franse jongens bleek kunnen zijn, en van dat dikke lange haar, een helm droeg hij niet.
Wat moet je nou, dacht ik toen hij bleef staren, en toen ik zag wat hij moest, vertraagde alles. In slow motion zag ik hoe hij keek, niet naar mij, of ons, maar naar de oudste, met haar gouden vakantiehaar, zijn blik gleed omlaag, weer omhoog, een glimlachje. Het ontging haar allemaal, net twaalf, maar op de rand van zoveel nieuws.

Ik wist het al, van dat nieuwe: brugklas, nieuwe vrienden, ik wist het al, huiswerk en shoppen. Maar ik wist het pas echt door die Franse puberjongen op die knetterende brommer.

Mijn plek

Ik kijk deze laatste weken van het jaar Black Sails, een piratenserie met extra mooie vrouwen, of nou ja, in ieder geval één extramooie vrouw die me elke keer als ze in beeld is tegen de tv doet praten. Ik zou zeggen, kijk zelf even, voor je het weet wordt dit een sneu viezemannenpraatje, en dat is niet de bedoeling.

Maar mooie serie dus, vol piraten die elkaar bevechten en wisten jullie dat piraten vroeger heel welbespraakt waren? De hele dag praten ze met monden vol blinkend witte voormalig beugelbekkies bijna filosofisch over eer, holy vows en broederschap. Wist ik niet.

Zegt de ene piraat tegen de andere: ‘Je raakt zo gewend aan een situatie, dat het makkelijk is om te vergeten dat elke situatie alleen maar een overgang is van het een naar het ander.’

Standaard tegeltje natuurlijk, de gemiddelde zelfhulpgoeroe roept de hele dag niks anders. Toch trof het me. Alsof ik eindelijk snapte wat het écht betekende. Ik snapte dat al eerder, maar sommige dingen moet je telkens opnieuw begrijpen, omdat iets anders, iets wat je makkelijker af gaat, het steeds weer toedekt.

Het gaat mij bijvoorbeeld gemakkelijker af om te zeggen dat ik nog niet op mijn plek ben, dan te onthouden dat alles altijd verandert.

Plek, alsof dat iets anders is dan wat je zelf verzint.

Het kan veel zijn, zo’n plek. Mijn huis en woonplaats, maar ook mijn vaderschap, mijn werk, mijn vrijgezel zijn, maar ook iets simpels als Chinees bestellen, of het schilderwerk op de trap. Wat het voor mij vooral is: iets om ontevreden over te zijn. Alsof ik over mijn eigen schouder mee kijk, mijn hoofd schud en zeg: nog een weg te gaan, jongeman. Waarheen, geen idee, maar er moet een plek zijn waar de puzzelstukjes in elkaar vallen. Zo iets.

Dus wat ik bedacht toen die piraat dat zo zei: het is maar een puzzel, en iedereen die wel eens een puzzel maakte weet, als je het laatste stukje op zijn plek hebt gelegd, kijk je er even blij naar, je wilt ‘m na al dat werk niet meteen weer uit elkaar halen, maar er is geen barst meer aan.

En wat ik ook bedacht: ik ben al op mijn plek. A single man in een huis met een half geschilderde zoldertrap, in de Indische buurt in Haarlem, vader van twee prépubers die ik regelmatig aan het oogrollen krijg, die tegen zijn TV praat en graag foe yong hai kip eet.

Misschien is volgend jaar alles anders, of bijna alles. Of bijna niks. Behalve die trap dan, want dat gaat me lukken, al is het maar omdat mijn piratenserie nu afgelopen is. Mooie bijvangst: mijn gepraat tegen extramooie actrices op de TV gaat in 2018 ook flink afnemen.

Tijd genoeg

Vandaag is het dertien jaar geleden dat mijn vader overleed. Ik was negenentwintig. Een ander mens. Een jongen nog. Ben ik geen jongen meer? Ik denk het niet. Zo veel gebeurd.

Zie me dan, zie waar ik nu sta. Mijn nieuwe woonplaats, mijn nieuwe werk. Mijn kinderen, ze zijn zo mooi. Zo… zichzelf, ja precies dat. En dat is hoe het zijn moet.

Ik vraag me soms af of dingen anders waren geweest als hij er nog was geweest. Met mij, bedoel ik. Ik denk het niet. Niet de grote lijnen. De grote lijnen moest ik zelf doen, die moet iedereen zelf doen. Zo is het gewoon.
Maar de kleine dingen. Soms even praten misschien. Dat lukte nauwelijks, die laatste twee jaar, en vóór die twee jaar hoefde het niet, er was nog tijd genoeg. En waarom praten, we wisten het toch?
Nee niet alles. Lang niet alles. En nu kan ik alleen nog raden.

Mijn lieve vader. Moet je mij toch zien. Ik heb iemand ontmoet, ineens was ze er en ineens was ze weer weg, niet helemaal, nee, dat ook weer niet.
Goed je best doen. Komt goed. Dat zou hij dan weer zeggen. Ik doe het wel goed, denk ik.

Wat ik zeggen wilde. De dingen zijn soms zo wonderlijk en mooi, en de dingen doen soms zo zeer. En dan mis ik hem. Want misschien zou het ondertussen zijn gelukt, dat praten. Misschien ook niet, omdat het dan niet nodig was geweest. Want dan hadden we nog tijd genoeg.

Elf

Sophie is vandaag elf jaar geworden. Ze vierde het zaterdag al in Uitgeest, bij haar moeder. We vieren het ook nog hier in Haarlem, maar dat duurt nog even.

Vanochtend vroeg stuurde ze me een berichtje. Het ging niet over haar verjaardag, het was iets praktisch: ik hoefde haar niet bij school op te halen, maar thuis bij mama, omdat  ze op de fiets naar school ging. Ik feliciteerde haar, kreeg veel hartjes terug en bedacht pas later dat ik haar natuurlijk had moeten bellen, en daarna dacht ik aan hoe de middag zou gaan. Ik haal ze op en dan zijn we om vier uur thuis, om vijf uur moeten we eten omdat Lotte een atletiektraining heeft in Beverwijk, waar ik haar om zes uur naar toe moet brengen en om acht uur weer moet ophalen. Een middag als alle maandagmiddagen, druk voor mij, voor Lotte, loom en relaxed voor Sophie, daar houdt ze van.

Maar vandaag is ze jarig en de zon schijnt en ze wordt maar een keer echt elf dus er knaagt iets bij me. Ik weet niet hoe ik het goed doe. Of verkeerd, ik ben nooit goed geworden in dit soort dingen. Ik voel dat het zo’n dag is waarop ik moet uitkijken om niet te geloven dat ik tekort schiet in mijn vaderschap. Het wordt vast een prima middag, zeg ik tegen mezelf, alleen hebben ze hier alleen elkaar en mij. Dat is genoeg, natuurlijk, het is genoeg om bij elkaar te zijn.

Vorige week moest ze huilen, ze wist niet waarom en weerde me af, het is er gewoon, zei ze, dat ik verdrietig ben. Ik zat op de rand van haar bed en wachtte rustig af. Na een tijdje zei ze: ik zie jou heel weinig. Weer huilen. En ik ging bij haar liggen en wist precies wat ik moest doen. Bij haar zijn en haar tegen me aan trekken en zeggen dat het goed is.

En nu. Nu hang ik slingers op. En ik haal taart en ik ruim een beetje op. Een taart, een stoel met slingers. Een kus, Ik weet niet goed hoe ik dit goed moet doen, en tegelijk weet ik het precies.

Iets van potentie

Een appje: ‘Thuis?’ Ik antwoord dat ik thuis ben, maar nog niet heb gedoucht. Ze zegt dat ik vijf minuten heb. Ik rol deo en poets mijn tanden. Ze heeft maar even en ik heb mijn pot filterkoffie al bijna leeg gedronken, dus ze krijgt een bodempje. Of ik nog wat te vertellen heb. Nee? Mooi. Ze legt haar kauwgum naast haar koffie en komt bij me op schoot zitten.

Ze is er al een aantal weken, maar ik praatte nog niet veel over haar. En als ik over haar sprak, dan in steekwoorden – leeftijd, woonplaats. Elk extra woord drukte niet uit wat ik zeggen wilde. Misschien vermeed ik het omdat wij samen, zoals zij het zei, ‘eventueel, misschien, iets van potentie hebben’. Potentie is een idee. Te delicaat om bloot te stellen aan mensen. Mensen kunnen zo goed relativeren.

Ik zag haar op een van die twee datingapps die ik net weer wilde verwijderen. Ze schoof door het beeld, blond en zacht, en ik dacht iets wat ik niet eerder dacht: maar jij bent voor mij. Dat was geen hebberigheid, en ik wist uit ervaring dat ik het mis kon hebben, iets met zien wat je wilt zien, maar ik vermoedde van niet. Noem het intuïtie.
Dus ik drukte op het hartje en we konden direct met elkaar praten. Zij had dat blijkbaar ook bij mij gedaan. Met de meeste matches wisselde ik nooit een woord, maar tegen haar móest ik iets zeggen.
Ik moest al meteen om haar lachen. Maar er was ook iets anders en als ik mijn best zou doen om dat te omschrijven, zou ik dingen zeggen als ‘energie’, en die kant ga ik liever niet op.
Ze vertelde me haar naam – voornaam, achternaam, bijna plechtig. Kort daarna vroeg ze of ik haar al had opgezocht op het internet. Dat vroeg ze later nog een keer, dus dat was blijkbaar belangrijk.
Ik zocht haar op. Het was belangrijk.
Ze had iets meegemaakt en daarover had ze een column geschreven die op het internet te vinden was. Haar woorden waren mooi en kaal en de pijn moest nog vers en diep zijn: ruim een jaar geleden was haar man overleden en bleef ze achter met een zoontje, nog niet eens een peuter.

Ze wilde per se naar de film tijdens ons eerste afspraakje. Ik zei dat ik geen zestien meer was, niet dat ik toen ik zestien was met meisjes naar de film ging, was het maar zo’n feest, maar je moet wát zeggen. Het kon haar niet schelen, we gingen naar de film: ‘min of meer hetzelfde als het fietsenhok’. Dat klonk geruststellend.
Ik was al half verliefd op mijn idee van haar toen we elkaar ontmoetten op het terras voor de Jopenkerk. Ze zat er al, blond en zacht en het eerste wat ze zei was dat het onderste knoopje van mijn gulp niet dicht was. De film die we zagen was Dunkirk. We kusten tijdens een scène waarin twee gevechtsvliegtuigen minutenlang op elkaar schoten. Daarna slopen we de zaal uit.

We spraken weer af, en steeds vaker. Er gingen deuren open, soms wagenwijd, zoals toen ze me vroeg of ik proefverkering wilde, omdat ze houdt van duidelijke stappen, maar meestal voorzichtig op een kier en met af en toe een klein zetje. Maar altijd voorzichtig.
Met voorzichtig kon ik mijn beeld van haar rustig voegen naar wat er werkelijk was. Met voorzichtig kon zij een week wat stiller zijn, de deur weer dicht doen, en daarna zeggen: ik ben blij, maar ook verdrietig, het is bitterzoet Ralph, en dan een traan.

Een kleine maand later. Herfst nu. Ze pakt haar kauwgum van tafel. Ze moet er alweer vandoor. ‘Loop je mee naar de deur, vriendje,’ zegt ze, bij vriendje buigt haar stem af naar licht ironisch. We hebben zojuist voorzichtig de ‘proef’ van ‘proefverkering’ gehaald.

Kus

Ik sta in de kamer van de oudste, ik heb haar thee gebracht en ze gaat zo slapen. Iets wat ik deed of zei heeft bij haar gezorgd voor een zacht gemoed. Ik kan er mijn vinger niet op leggen, maar het is er: onzichtbaar en niet te missen. Welterusten lieverd, zeg ik, en ze draait zich naar me toe, beweegt gedachteloos haar gezicht naar dat van mij, lippen getuit, alsof dat vanzelfsprekend is. Dat is het niet. Ik weet niet hoe lang het geleden is dat ze besloot dat wij niet meer kussen, zelfs niet op de wang – bah, je baard. Een paar jaar toch op zijn minst. Zelfs een omhelzing, een arm om haar heen is meestal te veel. Af en toe zoekt ze toch contact. Dan zit ze ineens bij me op schoot, of wil ze vechten, stoeien. Dat is fijn. Er zit iets onder wat ik niet kan bereiken. Ik denk zij ook niet. De eerste tijd, toen ik het nog zag als een bevlieging, vergelijkbaar met haar besluit dat chocola en kaas voortaan vies waren, heb ik het te vaak benoemd, als grap, om het luchtig te maken, vooral voor mezelf. Misschien heeft het zich toen in haar vast gezet, vaste vorm aangenomen: papa krijgt geen kussen en ook geen knuffels. Wie weet hoe zo iets werkt? Ik niet. Zij ook niet. Nu na jaren weer die beweging, zo vertrouwd meteen, maar ik weet ook dat het niet echt is, dat ze zich vergist. Zoals ze me soms mama noemt, zo beweegt ze nu haar gezicht naar me toe. Zoals ze zich na zo’n verspreking herstelt – ehh, papa natuurlijk – zo herstelt ze zich nu. Ehh, nee, zegt ze en ze schudt haar hoofd alsof ze wil zeggen: wat deed ik nu voor geks, grappig hè? Ze kijkt me open aan, niet geschrokken, eerder geamuseerd. Ik merk dat het me wat doet, ik weet niet wat precies: er wordt iets opgeruimd tussen ons, of alleen bij mij. Het maakt niet uit. Ik spreid mijn armen. Een knuffel dan, zeg ik. Ze lacht. Het is een blije, verlegen lach. Ze laat me begaan, drukt zelfs even haar hoofd tegen mijn borst. Ik kus haar kruin en zorg er voor dat ik het niet opblaas. Laat het in godsnaam onzichtbaar blijven. Dus ik wens haar welterusten. Wel meteen gaan slapen, zeg ik, het is al laat. Jahaa, zegt ze, ongeduldig, en daarmee doet ze wat mij niet gelukt zou zijn: ze maakt wat er gebeurde weer gewoon en alledaags.

Daley en Davy

Ralph.
Ja Bart.
Pröpper speelt, volgens mij wil Advocaat helemaal niet winnen.
Zo slecht is hij toch niet? Wie had je dan gedacht, Vilhena?
Vilhena speelt ook Ralph.
Jezus Bart, en wij gaan kijken?
[…]
Bart.
Ja Ralph.
Vind je het ook zo fijn dat Daley Blind aan onze kant speelt?
Hoe bedoel je?
Nou, dan kunnen we ons lekker ergeren, want, moet je weten, Blind is de meest talentvolle kutvoetballer die er bestaat.
Zo slecht is hij toch niet?
Nee, maar hij doet nooit wat.
Ach Ralph, we zien toch niks als dat jochie daar blijft staan met dat spandoek boven zijn hoofd.
[…]
Goeie voorzet van Blind, Ralph.
Ja, en mooie goal van Pröpper, Bart.
Toppers, dat zijn het.
Alle ballen op Blind.
En op Pröpper.
[…]
Bart.
Ja, Ralph?
Doet Robben eigenlijk mee?
[…]
Die Vilhena, die is echt klein he.
Wel een lekker spelertje Ralph.
En heel klein. Net een kindje.
[…]
Toch speelt Blind niet heel slecht, Ralph.
Ophouden Bart.
[…]
Denk je dat ze nog wat gaan doen?
Hoe bedoel je Ralph?
Ik bedoel, soms iets proberen is misschien wel leuk.
Ja, maar wie moet dat doen dan? Wijnaldum? Hahaha.
Ja, hahaha, is ook zo.
[…]
Wat een kutpot, Bart.
Zul je zien dat die kutbulgaren op het laatst nog gelijk maken ook.
[…]
Mooie voorzet van Blind weer, Ralph.
Ja, en Robben deed toch mee, zie je dat?
Nouja, twee nul, nu veel scoren want die Bulgaren kunnen er geen kut van.
[…]
Twee een, tuurlijk.
Zat er in Ralph.
[…]
Toch weer Pröpper, Bart.
Topspeler Ralph, belachelijk dat Dick ‘m tegen die Fransen niet opstelde.
Zo is het Bart.
[…]
Mooi fris elftal eigenlijk he, dit Oranje.
Ja, zeker Bart, zulk mooi voetbal zie je zelden.
Goh, wat zijn we goed.
Heel goed.
Dit gaat de wereld over, Ralph.
De hele wereld, Bart.
[…]
Einde.

Telefoon van Lotte

Lotte: ‘Ja het is heel leuk maar vandaag was ik misselijk, want we deden een lange rit door de bergen en we zaten de hele dag in de auto en ik kan slecht tegen die bergen, vooral bij de afgronden dus ik mocht voorin, dat was aardig van mama en het waaide best hard en toen bij dat bergmeer was het water pas echt koud, oei, twee graden ofzo en ik was met Floortje op mijn opblaasflamingo heel ver afgedreven, het zwembad op de camping is trouwens heel mooi, en op het meer was veel stroming en wind en allemaal Fransen wilden weten waar we die flamingo gekocht hadden en Jeroen zei later nog ‘voortaan meteen verkopen die handel’ haha, en de waterfiets kwam ons pas na een uur ofzo halen en nu gaat het wel weer met de misselijkheid, oja en mama heeft geholpen met vriendinnen maken en ik heb er twee en we hebben nu bij mama ook Ligretto en daar ben ik heel goed in, in ieder geval win ik meestal, behalve één keer toen waren mijn kaarten bijna op en kon ik dus niet meer, en toen won Sjors maarja, en oja, wat ik de hele tijd vergeet te zeggen is dat we heel vaak rijst eten en dat ik dat met pittige saus wel lekker vind, of nouja, lekker, maar met zoete saus dus echt niet, dus ik eet kale rijst en ook kaal stokbrood maar ik heb ook meloen op dus vitamines.’

Adem.

Ik: ‘Maar het is dus leuk?’

Lotte: ‘Ja het is heel leuk. Hier is Sophie doei!’

Sophie. ‘Lotte heeft alles al gezegd en we eten steeds rijst!’