Met andere ogen

Ik ging ik met de oudste schoenen kopen. Ze wist precies welke het moesten worden, zwarte veterlaarsjes, en had de hele middag plaatjes en filmpjes gekeken op haar telefoon. Ineens was er haast. We moesten nu gaan, precies nu, want haar moeder was ook in Haarlem en dan kon die de schoenen uit haar kleedgeld betalen. In winkel twee vond ze de perfecte laarsjes en het grappige was, ze wilde echt weten wat ik vond. Ik vond ze mooi, en ik meende het en ze knikte dus ik dacht, zo, klaar. Maar ze wilde ook andere winkels in dus daar gingen we, hup pap, kom, en ik volgde, en precies toen we weer bij die eerste winkel waren, kwam ook haar moeder er aan lopen met haar nieuwe man en zo georganiseerd en op de minuut gepland ben ik mijn hele leven nog nooit de deur uit geweest. Goh, dacht ik. Dus u bent vanaf nu mijn puberdochter. Aangenaam.

Ze is snel veranderd in 2017. Ouder geworden, om precies te zijn. Ken je dat, plaatjes die je op twee manieren kunt zien? De oma die ook een jonge vrouw is? Dat was ook met mijn oudste aan de hand: kind maar ook geen kind meer. Dat ging eerst wat aan me voorbij, daar ben je vader voor tenslotte, en ik herinner me precies de seconde in 2017 waarin het plaatje toch kantelde.

Dat gebeurde in Orléans, suf provinciestadje zuidelijk van Parijs, waar we onderweg naar onze zomervakantiebestemming een tussenstop maakten in een hotel. Toen we de stad in liepen om wat te gaan eten, moesten we wachten voor een stoplicht aan zo’n veel te drukke stadstraat. Loom gleden de brikkige auto’s voorbij en tussen al die Citroëns en Renaults was er een jongen op een brommer, zo’n ouderwetse, die vaart minderde. Een hand kwam los van het stuur en hij draaide zijn bovenlichaam onze kant uit. Jaar of zestien, bleek zoals Franse jongens bleek kunnen zijn, en van dat dikke lange haar, een helm droeg hij niet.
Wat moet je nou, dacht ik toen hij bleef staren, en toen ik zag wat hij moest, vertraagde alles. In slow motion zag ik hoe hij keek, niet naar mij, of ons, maar naar de oudste, met haar gouden vakantiehaar, zijn blik gleed omlaag, weer omhoog, een glimlachje. Het ontging haar allemaal, net twaalf, maar op de rand van zoveel nieuws.

Ik wist het al, van dat nieuwe: brugklas, nieuwe vrienden, ik wist het al, huiswerk en shoppen. Maar ik wist het pas echt door die Franse puberjongen op die knetterende brommer.

Mijn plek

Ik kijk deze laatste weken van het jaar Black Sails, een piratenserie met extra mooie vrouwen, of nou ja, in ieder geval één extramooie vrouw die me elke keer als ze in beeld is tegen de tv doet praten. Ik zou zeggen, kijk zelf even, voor je het weet wordt dit een sneu viezemannenpraatje, en dat is niet de bedoeling.

Maar mooie serie dus, vol piraten die elkaar bevechten en wisten jullie dat piraten vroeger heel welbespraakt waren? De hele dag praten ze met monden vol blinkend witte voormalig beugelbekkies bijna filosofisch over eer, holy vows en broederschap. Wist ik niet.

Zegt de ene piraat tegen de andere: ‘Je raakt zo gewend aan een situatie, dat het makkelijk is om te vergeten dat elke situatie alleen maar een overgang is van het een naar het ander.’

Standaard tegeltje natuurlijk, de gemiddelde zelfhulpgoeroe roept de hele dag niks anders. Toch trof het me. Alsof ik eindelijk snapte wat het écht betekende. Ik snapte dat al eerder, maar sommige dingen moet je telkens opnieuw begrijpen, omdat iets anders, iets wat je makkelijker af gaat, het steeds weer toedekt.

Het gaat mij bijvoorbeeld gemakkelijker af om te zeggen dat ik nog niet op mijn plek ben, dan te onthouden dat alles altijd verandert.

Plek, alsof dat iets anders is dan wat je zelf verzint.

Het kan veel zijn, zo’n plek. Mijn huis en woonplaats, maar ook mijn vaderschap, mijn werk, mijn vrijgezel zijn, maar ook iets simpels als Chinees bestellen, of het schilderwerk op de trap. Wat het voor mij vooral is: iets om ontevreden over te zijn. Alsof ik over mijn eigen schouder mee kijk, mijn hoofd schud en zeg: nog een weg te gaan, jongeman. Waarheen, geen idee, maar er moet een plek zijn waar de puzzelstukjes in elkaar vallen. Zo iets.

Dus wat ik bedacht toen die piraat dat zo zei: het is maar een puzzel, en iedereen die wel eens een puzzel maakte weet, als je het laatste stukje op zijn plek hebt gelegd, kijk je er even blij naar, je wilt ‘m na al dat werk niet meteen weer uit elkaar halen, maar er is geen barst meer aan.

En wat ik ook bedacht: ik ben al op mijn plek. A single man in een huis met een half geschilderde zoldertrap, in de Indische buurt in Haarlem, vader van twee prépubers die ik regelmatig aan het oogrollen krijg, die tegen zijn TV praat en graag foe yong hai kip eet.

Misschien is volgend jaar alles anders, of bijna alles. Of bijna niks. Behalve die trap dan, want dat gaat me lukken, al is het maar omdat mijn piratenserie nu afgelopen is. Mooie bijvangst: mijn gepraat tegen extramooie actrices op de TV gaat in 2018 ook flink afnemen.

Tijd genoeg

Vandaag is het dertien jaar geleden dat mijn vader overleed. Ik was negenentwintig. Een ander mens. Een jongen nog. Ben ik geen jongen meer? Ik denk het niet. Zo veel gebeurd.

Zie me dan, zie waar ik nu sta. Mijn nieuwe woonplaats, mijn nieuwe werk. Mijn kinderen, ze zijn zo mooi. Zo… zichzelf, ja precies dat. En dat is hoe het zijn moet.

Ik vraag me soms af of dingen anders waren geweest als hij er nog was geweest. Met mij, bedoel ik. Ik denk het niet. Niet de grote lijnen. De grote lijnen moest ik zelf doen, die moet iedereen zelf doen. Zo is het gewoon.
Maar de kleine dingen. Soms even praten misschien. Dat lukte nauwelijks, die laatste twee jaar, en vóór die twee jaar hoefde het niet, er was nog tijd genoeg. En waarom praten, we wisten het toch?
Nee niet alles. Lang niet alles. En nu kan ik alleen nog raden.

Mijn lieve vader. Moet je mij toch zien. Ik heb iemand ontmoet, ineens was ze er en ineens was ze weer weg, niet helemaal, nee, dat ook weer niet.
Goed je best doen. Komt goed. Dat zou hij dan weer zeggen. Ik doe het wel goed, denk ik.

Wat ik zeggen wilde. De dingen zijn soms zo wonderlijk en mooi, en de dingen doen soms zo zeer. En dan mis ik hem. Want misschien zou het ondertussen zijn gelukt, dat praten. Misschien ook niet, omdat het dan niet nodig was geweest. Want dan hadden we nog tijd genoeg.

Elf

Sophie is vandaag elf jaar geworden. Ze vierde het zaterdag al in Uitgeest, bij haar moeder. We vieren het ook nog hier in Haarlem, maar dat duurt nog even.

Vanochtend vroeg stuurde ze me een berichtje. Het ging niet over haar verjaardag, het was iets praktisch: ik hoefde haar niet bij school op te halen, maar thuis bij mama, omdat  ze op de fiets naar school ging. Ik feliciteerde haar, kreeg veel hartjes terug en bedacht pas later dat ik haar natuurlijk had moeten bellen, en daarna dacht ik aan hoe de middag zou gaan. Ik haal ze op en dan zijn we om vier uur thuis, om vijf uur moeten we eten omdat Lotte een atletiektraining heeft in Beverwijk, waar ik haar om zes uur naar toe moet brengen en om acht uur weer moet ophalen. Een middag als alle maandagmiddagen, druk voor mij, voor Lotte, loom en relaxed voor Sophie, daar houdt ze van.

Maar vandaag is ze jarig en de zon schijnt en ze wordt maar een keer echt elf dus er knaagt iets bij me. Ik weet niet hoe ik het goed doe. Of verkeerd, ik ben nooit goed geworden in dit soort dingen. Ik voel dat het zo’n dag is waarop ik moet uitkijken om niet te geloven dat ik tekort schiet in mijn vaderschap. Het wordt vast een prima middag, zeg ik tegen mezelf, alleen hebben ze hier alleen elkaar en mij. Dat is genoeg, natuurlijk, het is genoeg om bij elkaar te zijn.

Vorige week moest ze huilen, ze wist niet waarom en weerde me af, het is er gewoon, zei ze, dat ik verdrietig ben. Ik zat op de rand van haar bed en wachtte rustig af. Na een tijdje zei ze: ik zie jou heel weinig. Weer huilen. En ik ging bij haar liggen en wist precies wat ik moest doen. Bij haar zijn en haar tegen me aan trekken en zeggen dat het goed is.

En nu. Nu hang ik slingers op. En ik haal taart en ik ruim een beetje op. Een taart, een stoel met slingers. Een kus, Ik weet niet goed hoe ik dit goed moet doen, en tegelijk weet ik het precies.

Iets van potentie

Een appje: ‘Thuis?’ Ik antwoord dat ik thuis ben, maar nog niet heb gedoucht. Ze zegt dat ik vijf minuten heb. Ik rol deo en poets mijn tanden. Ze heeft maar even en ik heb mijn pot filterkoffie al bijna leeg gedronken, dus ze krijgt een bodempje. Of ik nog wat te vertellen heb. Nee? Mooi. Ze legt haar kauwgum naast haar koffie en komt bij me op schoot zitten.

Ze is er al een aantal weken, maar ik praatte nog niet veel over haar. En als ik over haar sprak, dan in steekwoorden – leeftijd, woonplaats. Elk extra woord drukte niet uit wat ik zeggen wilde. Misschien vermeed ik het omdat wij samen, zoals zij het zei, ‘eventueel, misschien, iets van potentie hebben’. Potentie is een idee. Te delicaat om bloot te stellen aan mensen. Mensen kunnen zo goed relativeren.

Ik zag haar op een van die twee datingapps die ik net weer wilde verwijderen. Ze schoof door het beeld, blond en zacht, en ik dacht iets wat ik niet eerder dacht: maar jij bent voor mij. Dat was geen hebberigheid, en ik wist uit ervaring dat ik het mis kon hebben, iets met zien wat je wilt zien, maar ik vermoedde van niet. Noem het intuïtie.
Dus ik drukte op het hartje en we konden direct met elkaar praten. Zij had dat blijkbaar ook bij mij gedaan. Met de meeste matches wisselde ik nooit een woord, maar tegen haar móest ik iets zeggen.
Ik moest al meteen om haar lachen. Maar er was ook iets anders en als ik mijn best zou doen om dat te omschrijven, zou ik dingen zeggen als ‘energie’, en die kant ga ik liever niet op.
Ze vertelde me haar naam – voornaam, achternaam, bijna plechtig. Kort daarna vroeg ze of ik haar al had opgezocht op het internet. Dat vroeg ze later nog een keer, dus dat was blijkbaar belangrijk.
Ik zocht haar op. Het was belangrijk.
Ze had iets meegemaakt en daarover had ze een column geschreven die op het internet te vinden was. Haar woorden waren mooi en kaal en de pijn moest nog vers en diep zijn: ruim een jaar geleden was haar man overleden en bleef ze achter met een zoontje, nog niet eens een peuter.

Ze wilde per se naar de film tijdens ons eerste afspraakje. Ik zei dat ik geen zestien meer was, niet dat ik toen ik zestien was met meisjes naar de film ging, was het maar zo’n feest, maar je moet wát zeggen. Het kon haar niet schelen, we gingen naar de film: ‘min of meer hetzelfde als het fietsenhok’. Dat klonk geruststellend.
Ik was al half verliefd op mijn idee van haar toen we elkaar ontmoetten op het terras voor de Jopenkerk. Ze zat er al, blond en zacht en het eerste wat ze zei was dat het onderste knoopje van mijn gulp niet dicht was. De film die we zagen was Dunkirk. We kusten tijdens een scène waarin twee gevechtsvliegtuigen minutenlang op elkaar schoten. Daarna slopen we de zaal uit.

We spraken weer af, en steeds vaker. Er gingen deuren open, soms wagenwijd, zoals toen ze me vroeg of ik proefverkering wilde, omdat ze houdt van duidelijke stappen, maar meestal voorzichtig op een kier en met af en toe een klein zetje. Maar altijd voorzichtig.
Met voorzichtig kon ik mijn beeld van haar rustig voegen naar wat er werkelijk was. Met voorzichtig kon zij een week wat stiller zijn, de deur weer dicht doen, en daarna zeggen: ik ben blij, maar ook verdrietig, het is bitterzoet Ralph, en dan een traan.

Een kleine maand later. Herfst nu. Ze pakt haar kauwgum van tafel. Ze moet er alweer vandoor. ‘Loop je mee naar de deur, vriendje,’ zegt ze, bij vriendje buigt haar stem af naar licht ironisch. We hebben zojuist voorzichtig de ‘proef’ van ‘proefverkering’ gehaald.

Kus

Ik sta in de kamer van de oudste, ik heb haar thee gebracht en ze gaat zo slapen. Iets wat ik deed of zei heeft bij haar gezorgd voor een zacht gemoed. Ik kan er mijn vinger niet op leggen, maar het is er: onzichtbaar en niet te missen. Welterusten lieverd, zeg ik, en ze draait zich naar me toe, beweegt gedachteloos haar gezicht naar dat van mij, lippen getuit, alsof dat vanzelfsprekend is. Dat is het niet. Ik weet niet hoe lang het geleden is dat ze besloot dat wij niet meer kussen, zelfs niet op de wang – bah, je baard. Een paar jaar toch op zijn minst. Zelfs een omhelzing, een arm om haar heen is meestal te veel. Af en toe zoekt ze toch contact. Dan zit ze ineens bij me op schoot, of wil ze vechten, stoeien. Dat is fijn. Er zit iets onder wat ik niet kan bereiken. Ik denk zij ook niet. De eerste tijd, toen ik het nog zag als een bevlieging, vergelijkbaar met haar besluit dat chocola en kaas voortaan vies waren, heb ik het te vaak benoemd, als grap, om het luchtig te maken, vooral voor mezelf. Misschien heeft het zich toen in haar vast gezet, vaste vorm aangenomen: papa krijgt geen kussen en ook geen knuffels. Wie weet hoe zo iets werkt? Ik niet. Zij ook niet. Nu na jaren weer die beweging, zo vertrouwd meteen, maar ik weet ook dat het niet echt is, dat ze zich vergist. Zoals ze me soms mama noemt, zo beweegt ze nu haar gezicht naar me toe. Zoals ze zich na zo’n verspreking herstelt – ehh, papa natuurlijk – zo herstelt ze zich nu. Ehh, nee, zegt ze en ze schudt haar hoofd alsof ze wil zeggen: wat deed ik nu voor geks, grappig hè? Ze kijkt me open aan, niet geschrokken, eerder geamuseerd. Ik merk dat het me wat doet, ik weet niet wat precies: er wordt iets opgeruimd tussen ons, of alleen bij mij. Het maakt niet uit. Ik spreid mijn armen. Een knuffel dan, zeg ik. Ze lacht. Het is een blije, verlegen lach. Ze laat me begaan, drukt zelfs even haar hoofd tegen mijn borst. Ik kus haar kruin en zorg er voor dat ik het niet opblaas. Laat het in godsnaam onzichtbaar blijven. Dus ik wens haar welterusten. Wel meteen gaan slapen, zeg ik, het is al laat. Jahaa, zegt ze, ongeduldig, en daarmee doet ze wat mij niet gelukt zou zijn: ze maakt wat er gebeurde weer gewoon en alledaags.

Daley en Davy

Ralph.
Ja Bart.
Pröpper speelt, volgens mij wil Advocaat helemaal niet winnen.
Zo slecht is hij toch niet? Wie had je dan gedacht, Vilhena?
Vilhena speelt ook Ralph.
Jezus Bart, en wij gaan kijken?
[…]
Bart.
Ja Ralph.
Vind je het ook zo fijn dat Daley Blind aan onze kant speelt?
Hoe bedoel je?
Nou, dan kunnen we ons lekker ergeren, want, moet je weten, Blind is de meest talentvolle kutvoetballer die er bestaat.
Zo slecht is hij toch niet?
Nee, maar hij doet nooit wat.
Ach Ralph, we zien toch niks als dat jochie daar blijft staan met dat spandoek boven zijn hoofd.
[…]
Goeie voorzet van Blind, Ralph.
Ja, en mooie goal van Pröpper, Bart.
Toppers, dat zijn het.
Alle ballen op Blind.
En op Pröpper.
[…]
Bart.
Ja, Ralph?
Doet Robben eigenlijk mee?
[…]
Die Vilhena, die is echt klein he.
Wel een lekker spelertje Ralph.
En heel klein. Net een kindje.
[…]
Toch speelt Blind niet heel slecht, Ralph.
Ophouden Bart.
[…]
Denk je dat ze nog wat gaan doen?
Hoe bedoel je Ralph?
Ik bedoel, soms iets proberen is misschien wel leuk.
Ja, maar wie moet dat doen dan? Wijnaldum? Hahaha.
Ja, hahaha, is ook zo.
[…]
Wat een kutpot, Bart.
Zul je zien dat die kutbulgaren op het laatst nog gelijk maken ook.
[…]
Mooie voorzet van Blind weer, Ralph.
Ja, en Robben deed toch mee, zie je dat?
Nouja, twee nul, nu veel scoren want die Bulgaren kunnen er geen kut van.
[…]
Twee een, tuurlijk.
Zat er in Ralph.
[…]
Toch weer Pröpper, Bart.
Topspeler Ralph, belachelijk dat Dick ‘m tegen die Fransen niet opstelde.
Zo is het Bart.
[…]
Mooi fris elftal eigenlijk he, dit Oranje.
Ja, zeker Bart, zulk mooi voetbal zie je zelden.
Goh, wat zijn we goed.
Heel goed.
Dit gaat de wereld over, Ralph.
De hele wereld, Bart.
[…]
Einde.

Telefoon van Lotte

Lotte: ‘Ja het is heel leuk maar vandaag was ik misselijk, want we deden een lange rit door de bergen en we zaten de hele dag in de auto en ik kan slecht tegen die bergen, vooral bij de afgronden dus ik mocht voorin, dat was aardig van mama en het waaide best hard en toen bij dat bergmeer was het water pas echt koud, oei, twee graden ofzo en ik was met Floortje op mijn opblaasflamingo heel ver afgedreven, het zwembad op de camping is trouwens heel mooi, en op het meer was veel stroming en wind en allemaal Fransen wilden weten waar we die flamingo gekocht hadden en Jeroen zei later nog ‘voortaan meteen verkopen die handel’ haha, en de waterfiets kwam ons pas na een uur ofzo halen en nu gaat het wel weer met de misselijkheid, oja en mama heeft geholpen met vriendinnen maken en ik heb er twee en we hebben nu bij mama ook Ligretto en daar ben ik heel goed in, in ieder geval win ik meestal, behalve één keer toen waren mijn kaarten bijna op en kon ik dus niet meer, en toen won Sjors maarja, en oja, wat ik de hele tijd vergeet te zeggen is dat we heel vaak rijst eten en dat ik dat met pittige saus wel lekker vind, of nouja, lekker, maar met zoete saus dus echt niet, dus ik eet kale rijst en ook kaal stokbrood maar ik heb ook meloen op dus vitamines.’

Adem.

Ik: ‘Maar het is dus leuk?’

Lotte: ‘Ja het is heel leuk. Hier is Sophie doei!’

Sophie. ‘Lotte heeft alles al gezegd en we eten steeds rijst!’

Grote stad

Lotte wilde naar Kruidvat voor watjes en naar de Hema voor een waterkan, zo een met een kraantje dat heel snel stuk gaat. Ze wilde die buiten neer zetten met water en munt en verse citroenschijfjes want dat was lekker en gezellig. Dat vond ik goed en ik reed haar nieuwe fiets door het huis naar de straat. Vanuit de voordeur keek ik haar na, en ik realiseerde me: nu gaat ze voor het eerst alleen op de fiets Haarlem in. Ze is twaalf, dus dat kan makkelijk, maar ze is het dorp gewend waar ze met haar moeder woont. Dus ik riep haar toch na dat ze voorzichtig moest zijn en dat ze de grote weg niet over moest steken. Ze hoorde me niet goed, maar zei toch ja, om me gerust te stellen, of om er vanaf te zijn. Ik trok de deur dicht, schudde mijn hoofd om de vader die ik blijkbaar toch was, en dacht er verder niet over na. Dat viel me mee van mezelf. Tot het moment waarop ik daadwerkelijk bedácht dat het me mee viel van mezelf. Dat was na drie kwartier, of een half uur. Iets in me fluisterde meteen dat het al best lang duurde, langer dan nodig. Watjes bij de Kruidvat en een waterkan bij de Hema. Vanaf dat moment was er niets anders meer. Ik deed iets aan het eten, geloof ik, volgens mij maakte ik de groene pesto, maar zeker weet ik het niet meer. Ik herinner me alleen nog hoe ik een keer of tien uit de keuken naar de huiskamer liep, om door het voorraam te kijken of ze al terug was. Kruidvat en Hema, vijf minuten fietsen, maximaal. In mijn hoofd veranderde het keurige Haarlem in een vreemde, enge stad. De huizen aan de overkant leken groter. Het licht van de zon harder, killer. De anders zo lome Cronjé was nu een straat vol mensen met slechte bedoelingen. Mijn adem zat hoog. Ze is twaalf man, zei ik in mezelf. Stel je niet aan. Maar dat hielp niet. Ik snapte ouders die stiekem achter hun kind aan fietsen, de eerste keer in de stad. Toch nog onverwacht klonk haar gebonk op het raam, ze was bijna een uur weg geweest. Ik opende de deur en de zon was weer gewoon warm, en Haarlem werd weer dat dorp met die keurige mensen. Ik kon weer ademen, en liet niets merken. Ze had heel lang gezocht in de Hema, zei ze. Naar die kan. Wel tien keer de hele winkel door. Daarom duurde het zo lang. Ze zei het en misschien was het waar, of misschien was ze op pad geweest, op haar nieuwe fiets, verder weg dan ik haar had gegeven, in de stad die voor haar ineens veel kleiner leek. Geeft niet. Het was gelukt. Ze hield de kan omhoog en rolde met haar ogen. Toch gevonden, zei ze. Ze pakte de munt en een citroen. Ik zei dat ze voorzichtig moest zijn met het kraantje. Dat was ze. Een uur later was het kraantje toch stuk, en was alles precies volgens plan verlopen.

Stomme vraag

Sophie verveelde zich al minstens vijftien seconden. Dat maakte haar boos. Ze zakte met een zucht op de grond voor me en keek me verongelijkt aan: ‘Van jou moet ik me zeker weer gaan vervelen?’

Vaders die alles altijd verpesten, ik zag haar gedachten snel die kant op kruipen, maar er speelde ook een vage glimlach om haar mond, waarvan ik wist dat ze die haatte, omdat hij verraadde dat ze haar boosheid niet helemaal rond kreeg in haar hoofd.

Ik ben altijd blij met zo’n glimlach, want als die er niet is, moet ik vaak diep graven naar de juiste reactie. Ik mis het vermogen van veel andere ouders om automatisch het juiste te doen of te zeggen en er daarna niet te lang bij stil te blijven staan. Mijn automatisch antwoord is er meestal een uit gemak, om ergens af te zijn, of ik val terug op de antwoorden die ik kreeg van mijn eigen vader en moeder. Meestal improviseer ik.

Sommige dingen raken me meer dan nodig is. In die gevallen weet ik dat het eigenlijk over mij gaat, en niet over hen. Alleen is dat niet altijd waar. Ook weet ik dat ik het beter kan, meestal, en dat ik het beter zou doen als ik maar beter mijn best deed om ze te begrijpen, of als ik maar duidelijker zou zijn. Maar wat dan, en waarover dan?

Ja, ik over-denk de dingen en de invloed van mijn reacties misschien, maar misschien ook niet, er is zo veel, er gebeurt zo veel, elke dag, ook als ze er niet zijn, en zie je, daar ga ik al.

Goed. Verveling is niet het lastigste probleem dat een kind voor een ouder neer kan leggen. Verveling is simpel: het waren niet de vijftien seconden die haar dwars zaten, maar de ontelbare saaie uren die er volgens haar nu aan zaten te komen.

Ik vroeg haar of ze zich ooit heel lang had verveeld. Dat vond ze een stomme vraag, en ik denk dat ze me dankbaar was toen ik zei dat ik in ieder geval geen zin had in geklaag, want daarmee had ik haar iets gegeven waarop ze echt boos kon worden. Ze stampte met een zo boos mogelijk gezicht de kamer uit, de trap op en op zolder gooide ze haar deur met een knal dicht.

Ik pakte mijn boek van mijn schoot en wachtte op het voorzichtige kraken op de trap, als teken dat ze vrede wilde. Dat duurde dit keer nog geen tien minuten. De huiskamerdeur die langzaam open werd geduwd waarna haar gezicht om de hoek verscheen met een mengeling van schuldbewust, we lachen er om, en toch had ik gelijk.

Ik spreidde mijn armen en ze dook er in. We knuffelden en ze zei sorry en ik zei dat het okee was en dat boos er ook bij hoort. Toen ze opstond zei ze dat vervelen écht erg was, ook al begreep ik daar natuurlijk niks van en toen ze neuriënd weer naar boven liep wist ik dat ik het dit keer goed had gedaan.