Lente zonder Mart
Mar 02
Ik heb sport nodig. NU. Ik ben kribbig en mijn neus jeukt. Ik zap en ik loop rondjes door mijn huiskamer. Ik zie drie minuten van ‘Familiediner’ en vijf minuten van de TV makelaar. Ik lees een bladzijde in elk tijdschrift dat ik in mijn handen kan krijgen. Maar. Ik trek het niet meer. Geef me sport. Darts, desnoods. Of Mart, geef me Mart. Zet, als het echt niet anders kan, Ria Visser er naast. Maar. Geef me sport.
Ik dacht al die tijd dat ik ze genegeerd had. De schaatsers en de bobbers. Dat ik er niet over sprak, niet over las. Dat ik niet keek. Maar nu. Nu weet ik beter. Er is nog slechts leegte. Het klopt. Ik kéék niet. Nee, ik vulde mezelf met het drama van Vancouver. Het begon pas laat. Na ‘de wissel’. Maar toen was het ook los. Op het puntje van mijn stoel bij de damescurlingfinale. Fel schreeuwertje, die Canadeze zilverenmedaillewinnaar. Zweethanden bij de 3100 kilometer cross country. Ik bleef zelfs ademen bij de C1000 reclame. Die met die pipo. Ja. Inderdaad. Onmenselijk. Ik zat er in. Hoogtepunt? Posterboy beslist de ijshockeyfinale met een golden goal. Daarna, cold turkey.
Want nu. Het is begonnen. Het eindeloze, het trage, het uitgemolken, het door zesendertig hollywoodschrijvers gescripte aanloopgebeuren naar het WK. Ik weet het, dat moet genegeerd worden. Pas aan het WK denken als Frank Snoecks zegt dat ze aftrappen. Maar ik wacht nu al. Het gaat mijn einde worden. Dus. Geef me sport. Nu.
Ik ben wakker geworden in een nieuwe wereld. Een nieuwe wereld die eigenlijk veel fijner is, maar waar ik maar niet aan kan wennen. Ik loop in de Aldi na een LOTR-marathon. Ik zwem tijdens het bejaardenuurtje in het sportfondsenbad, na drie jaar Hawaii. Maar dan andersom. Ja. Laat ik het zo zeggen. Ik wil weer die snertwinter in. Maar ik zal moeten leven met de lente.
