Ik liep voor Hinke de foyer van de bioscoop binnen. We waren laat. Rechts langs de muur zaten mensen op lange banken. Ze dronken muntthee uit grote glazen. Links stond een rij voor het kleine kassahokje. Ik had al kaartjes en liep gedachteloos door naar de filmzalen, de brede trap af naar beneden.
‘Eh, WC?’ zei iemand achter me.
Ik draaide me om. Boven aan de trap stond een man tegen de muur.
Hinke stond naast hem: ‘Jij wilt zeker de kaartjes zien?’
Hij knikte. Ik liep naar hem toe en zocht naar de kaartjes.
‘Je stond ook zo verdekt opgesteld,’ zei ik, vooral om maar iets te zeggen.
De man haalde diep adem en rechtte zijn rug. Hij zocht naar woorden.
‘Ja, ontzettend verdekt,’ zei Hinke tegen mij. ‘Direct naast de ingang, dat verwacht je niet.’
De man keek haar dankbaar aan. Soms verdenk ik Hinke ervan dat ze het liefst het ongemak van elke passant weg zou nemen als ze daar de tijd en de woorden voor zou hebben.
‘Ja,’ zei de man en hij haalde adem en wilde mij ook iets toevoegen. Hij keek naar Hinke en naar de grond en hapte nog een keer naar adem.
Ik wilde hem helpen. Ik wist niet hoe.
‘Nee, nee, het is meer…’ zei ik en ik wees op zijn grijze shirt en ik slikte mijn woorden in. Ik vermoedde dat ik niet de eerste was die hem over het hoofd zag, hier bij de trap, of waar dan ook.
Hinke vermoedde dat misschien ook wel en ze zei: ‘Ja ja ja, geef hem die kaartjes nou maar.’ En dat deed ik.
De man keek haar weer dankbaar aan.
En ik ook.



Geplaatst op 27.01.12
0