Gevoel van ellende
Jan 26
Lotte is ziek. De hele nacht was ik in de weer met teiltjes, schone lakens, washandjes en tandenborstels. Ik probeer me voor te stellen hoe een meisje van nog geen vijftien kilo zich voelt na een nacht waarin ze binnenstebuiten werd gekeerd. Het lukt me niet. Met holle ogen en afhangende schouders zit ze op de rand van het bed. Beneden roept haar zus monter: ‘Ik ben niet ziek he?’ Lotte glimlacht flauw. Ik ga naast haar zitten en sla mijn arm om haar heen. Ze kruipt tegen me aan. ‘Papa…’ Ik hou van de verwondering en verwachting in haar stem als ze dat tegen me zegt, zo’n honderd keer per dag. Ook nu glinsteren haar ogen. Ik besluit lering te trekken uit haar veerkracht. Het gevoel van ellende is bij kleine kinderen iets dat komt en gaat. Het is er, of het is er niet. Het zeurt niet eindeloos na, zoals wij volwassenen het onszelf hebben aangeleerd. Ze duwt me met haar schouder. ‘Papa?’ zegt ze weer. Ik kijk opzij. ‘Je moet even het teiltje omspoelen. En ik denk dat de tandpasta wel op is, je hebt me zo vaak gepoetst.’ Dan trekt ze mijn gezicht naar zich toe. Ik voel twee dunne lippen mijn wang. Ik vraag haar of ik haar aan kan kleden. Ze knikt.
