Er kwam een groterd de coupé binnen. Hij ging aan de andere kant van het gangpad zitten. Kinnebak, veel haar, veel smoezeligs. Ik verdacht hem van een slecht gestemde gitaar en een uitkering. En van een mooie vriendin die een beetje stonk.
Dat van die vriendin klopte, want die kwam naast hem zitten.
Uit zijn enorme tas haalde hij twee halve liters Heineken tevoorschijn. Klik, pfoesj, ging het door de forensentrein. Twee keer. Vriendin kreeg ondertussen een oprisping zoals stinkerige mooie meisjes die net even anders zijn ze altijd hebben. Ze ging heel hard lachen, toen gieren, en toen begon ze meneer groterd te verkrachten. Zo’n beetje.
Onder hun bank vandaan verscheen een geel vocht. Het stonk naar bier. Het was bier.
Ik tikte op groterd’s schouder.
“Je bier,” zei ik.
“Weet ik,” zei groterd.
“Oh.” Want daar had ik even niet van terug.
“Mijn luier lekt,” zei hij. Dat vond zijn vriendin hysterisch geestig. Ik niet, ik keek hem blanco aan.
“Wat kijk je nou?” zei groterd.
Ik keek naar het bier, dat het gangpad opstroomde. Richting tassen van medepassagiers.
Toen keek hij naar het bier.
Toen haalde hij zijn schouders op. Hij pakte een nieuw blik uit zijn tas en het ging het weer van klik, pfoesj. Daarbij keek hij me uitdagend aan en had ik al gezegd dat confrontaties niet zo mijn ding zijn?
“Proost,” zei hij, waarna hij zich omkeerde en in het oor van zijn vriendin begon te fluisteren. Ze giechelde.
Het begon te stinken, maar daar waren de torens van Schagen. Ik stond op en stapte over de plas bier heen. Met de armen losjes langs mijn lijf liep ik mijn dorpse idylle tegemoet.



Geplaatst op 20.03.08
0