Ik heb de vrouw die bij de Nederlandse Bank werkt al een tijdje niet gezien. Ze is al jaren een vast gezicht in mijn ochtendritueel. Als ik me van de trein naar de metro begeef, komt ze me altijd met stijve knietjes voorbij snellen. Ze rent zoals alleen vrouwen kunnen rennen. Het houdt het midden tussen dribbelen en snelwandelen. Haar gezicht laat een verbetenheid zien die niet past bij haar matige snelheid en dus wel een andere oorsprong zal hebben.
Ik zie haar zenuwachtig mensen voorbij schieten, rennend haar metropas tevoorschijn halen en stijfjes van de trap schokken. Ze vliegt dan langs de gereedstaande metro, glipt langs uitstappers en stapt tenslotte in de derde cabine. Hijgend.
Even later stap ik ook in die coupé. De rennende vrouw blijft bij de deur staan. De rechterdeur, de kant van het perron op station Weesperplein, waar ze er uit moet. Ze is nog altijd licht gespannen, heeft nog die verbeten trek om haar mond en staat licht gebogen, in de starthouding, met de knop van de schuifdeur in haar hand.
Op station Weesperplein schiet ze al door de deuren als ze nog nauwelijks open zijn. Als eerste rent ze de roltrap op en wanneer ik boven kom zie ik nog net haar stijve knietjes boven aan de volgende trap. Het is nog een heel eind rennen, naar de Nederlandse Bank.
Ik heb me wel eens afgevraagd wat haar beweegt. Waarom ze niet een trein eerder neemt. Of dat het dat niet is. Dat ze misschien een fobie heeft voor wegrijdende metro’s, vertrokken liften, achteraan sluiten in een rij. Of weet ze gewoon, na jarenlang forensen: als ik het zo doe, gaat het precies goed?
Routines zijn bedrieglijke dingen. Ze geven je houvast, maar ook het licht knagende gevoel dat alles mis zal gaan als je ze niet volgt. Misschien is in de routine van de rennende vrouw steeds meer van die angst geslopen, net zolang tot er alleen nog maar dat was: zenuwachtig rennen.
In mijn wat meer contemplatieve buien probeer ik me voor te stellen hoe het leven van de rennende vrouw er uit ziet buiten het door strakke regelmaat geharnaste domein van het openbaar vervoer.
Dat is onbegonnen werk.
Vanmorgen ontmoette ik op mijn weg de variant op de rennende vrouw: de rennende man. Hij rende zoals alleen boze mannen kunnen rennen. Met drie treden tegelijk de trap af, doortussenover verontwaardigde andere mensen heen. Tassen en haren en jassen die wild om hem heen fladderden.
Toen hij halverwege de roltrap naar beneden was, sloten de deuren van de metro. De man bleef rennen. De metro kwam knarsend in beweging. De man bleef rennen. De metro maakte vaart. De man bleef rennen. Pas halverwege het perron staakte hij de achtervolging. “Kut!” zei hij.
Dat heb ik de rennende vrouw nog nooit horen zeggen.



Geplaatst op 11.03.10
0