ralphp.nl

De ringen van de boom

Het werd langzaamaan een jaarlijkse traditie, mijn angst voor de eindejaarswedstrijd van mijn zaalvoetbalclub. Al die jongens voetballen nog wekelijks met elkaar. Alleen ik niet. Toch schijn ik elk jaar de eerste te zijn die reageert op het mailtje van Theo. Misschien wel juist daarom. Dat mailtje komt meestal in oktober. ‘Vanaf nu niks meer doen,’ mailt Theo dan. Hij weet hoe dat gaat met die spieren van mij. Maar het zijn niet eens mijn spieren die me schrik bezorgen, gewoon rustig aan en veel wisselen, nee, het is iets anders. Het hele jaar kan ik doen alsof er niks aan de hand is, dat ik nog steeds de atleet van weleer ben, maar in die kleedkamer niet. Scherprechter is al jaren het moment dat in de kleedkamer de shirts verdeeld worden. Ik was een keer wat laat, was er alleen een maatje S over, wit. Ik als een rollade over het veld. Voor iedereen leuk. Voor mij wat minder. Dus nu duik ik al jaren als eerste in de kledingtas, op zoek naar een XL. Symptoombestrijding.

Dat moest anders.

Begin maart had ik een intake bij die manueel therapeut annex De Wonderdokter uit Bos en Lommer, die mij voor eens en altijd van mijn spierproblemen zou afhelpen, zodat ik kon gaan hardlopen, zodat ik weer strak in mijn vel zou geraken, zodat, etc. Ik liep in mijn onderbroek heen en weer over zijn vergeelde laminaat, hij voelde aan mijn rug en mijn benen en ondertussen vertelde ik hoe het zat.
‘Ja maar wacht even,’ onderbrak hij me. Ik zat op de behandeltafel, en hij leunde in de vensterbank, met zijn lange benen en zijn grote handen. Imposante man, die wonderdokter. Stilte. Best fris ook.
Ik wachtte even, want dat vroeg hij.
‘Kijk,’ begon hij. ‘Van hardlopen is nog nooit iemand afgevallen.’ Ik lachte en keek om me heen voor steun, maar we waren met zijn tweeën in de kamer.
‘Na je veertigste zijn er twee mogelijkheden,’ ging hij verder. ‘Of je krijgt er elk jaar, als een boom, een ring bij, of je verandert je leefstijl.’
Hij stelde wandelen voor. Wandelen. Sekslozer dan een beige fleecetrui.
‘Wandelen?’ vroeg ik.
‘Wandelen,’ antwoordde hij. Elke dag. Maar hij wilde me wel behandelen hoor, geen probleem, alleen jammer dat mijn verzekering het niet dekte.

Dus ik wandelen. Elke dag, twintig minuten naar het station, een kwartier naar mijn werk, weer terug, en in het weekend naar de stad, enzovoort. Het slot van mijn fiets roestte langzaam dicht en ik installeerde een app waarop ik invulde wat ik precies at en dronk en die app vertelde mij welke calorieën precies te veel waren, en dat bleek reuze mee te vallen.

Ik kocht een weegschaal en hield mijn buik in als ik er op stapte, dat hielp niet maar het wandelen en het calorieën tellen hielpen wel en de kilo’s gingen, eerst snel en toen langzaam en ik installeerde nog een app, de seven minute workout, en ik deed die oefeningen elke ochtend, of nou ja, bijna, en na de zomer hoefde ik mijn buik niet meer in te houden op de weegschaal en was ik veertien kilo kwijt.

Op een borrel raakte een knappe jonge vrouw mijn bovenarm aan en ze zei ‘zo zo, spiertjes?’ en ik dacht aan de wonderdokter met de lange benen en de grote handen, aan de rondjes die ik niet rende, aan die ring die er niet bij kwam en aan al die ringen die ik kwijt was, en vooral dacht ik aan dat moment eind december in die kleedkamer in de Groeneweghal, wanneer ik voor het eerst sinds jaren onbevreesd en zonder te kijken een shirtje uit die kledingtas trek.

About the author

Comments are closed.