Ik parkeerde in de Helmersstraat en hielp Lotte en Sophie uit de auto.
Ik keek de straat in, maar ik zag haar nog niet.
‘Is dit land Amsterdam, pap?’ vroeg Sophie. Lotte moest lachen. Sophie keek omhoog naar de statige herenhuizen. ‘Mooi!’ zei ze. Een auto toeterde. Ik stak m’n hand op naar de bestuurder en wenkte Sophie naar de stoep.
Lotte gaf me een slordige stapel speelkaarten en een doosje. ‘Ik krijg ze er niet in,’ zei ze.
Hoofdschuddend probeerde ik de kaarten te ordenen.
‘Woont ze daar?’ vroeg Lotte en ze wees de straat in.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, die kant op.’
Ik keek de straat in, maar ik zag haar nog niet.
We staken over.
Ik had al de hele week in mijn hoofd hoe ik door de straat naar haar toe wilde lopen. Nonchalant, met aan elke hand een dochter.
Ik keek weer naar de speelkaarten. Het lukte me niet om ze tot een nette stapel te schikken. Ik ben geen kaarter, misschien was dat het, of misschien kwam het doordat aan elke kant een dochter aan m’n arm trok. Ik werd ongeduldig. Dat hielp niet.
Ze kon elk moment komen. Ik had een berichtje gestuurd en ze had geantwoord.
Ik keek de straat in, maar ik zag haar nog niet.
‘Ben je nerveus,’ had ze gisteren gevraagd. Ik had gezegd dat ik niet nerveus was. ‘Ik wel,’ zei ze. Ze is veel eerlijker dan ik ben.
Het lukte me de eerste kaarten in het doosje te schuiven. Snel de rest.
Ik keek de straat in, maar ik zag haar nog niet.
Ik duwde het doosje in mijn jaszak en liet mijn armen losjes langs m’n lichaam hangen. Binnen drie tellen gleed in elke hand een koude kinderhand.
Ik keek de straat in en lachte. Daar kwam ze aan.
De eerste keer
Geplaatst op 20.01.12



D.
4 weeken geleden
Ja, wie wie WIEEEE?
Damn those cliffhangers!