Currently Reading: was alles maar konijnen

Geplaatst op 02.04.08

2


Renske de Greef. Ze schijnt nogal een hele verschijning te zijn in literatuurland.

Dus dat moesten we zien (voorlopig oordeel: ja, Renske de Greef is een hele verschijning. Niet zo’n hele verschijning als die dame die schrijft over heksen, kom, wie is dat, oja, Susan Smit, maar daar wens ik vooralsnog geen punt van te maken).

En dat moesten wij lezen.

Leeswijzer: ik citeer tijdens het leesproces telkens de Laatste Zin Voor het Dichtklappen (LZVD). En noteer dan wat zoal mijn bevindingen zijn.

2 april:

“Er komt net een reisgezelschap binnen, een groepje bejaarden met zonnebrillen op hun normale brillen geklikt tegen de schaarse winterzon. ‘Zebra – je ziet er niet goed uit.’  – p. 66

U ziet: heel ver zijn wij nog niet. Niet verder dan een eerste ‘glimpse’ die me doet zeggen dat de hoofdpersoon niet helemaal goed is. Maar dat hoort zo, in de literatuur, dat de hoofdpersoon niet helemaal goed is. Dat brengt me direct bij de Eerste Wijze Les voor iedereen die een boek wil schrijven: bedenk een hoofdpersoon die niet helemaal goed is. Of goed lijkt. Lijkt is beter.

En in ons citaat direct ook een Tweede Wijze Les. Bedenk een debiele naam voor je hoofdpersoon. U denkt: Zebra. Tss. Maar nee, u denkt verkeerd. Zebra is helemaal niet de hoofdpersoon. Zebra is een mythisch bijfiguur in een passage die is geschreven om te laten zien dat de hoofdpersoon gekke dingen gewoon vindt, en gewone dingen gek (= Derde Wijze Les). Zoals het hoort, met hoofdpersonen. 

De hoofdpersoon is Sara. Gewoon Sara? Of meer een Mulischiaans Sara? Ik ga het uitzoeken.

3 april:

“Als ik binnen ben zie ik door het spiekgaatje in  mijn deur dat ze in de deuropening staat te wachten tot ik weer naar buiten kom, dus pak ik mijn jas en loop naar buiten. ‘De Bijbel ligt daar,’ zeg ik nog, en ik loop de trap af.” – p.83

Een goed boek hoeft nergens over te gaan, zei iemand laatst tegen mij. Als het maar mooi is opgeschreven. Iemand anders zei me: Ik ben niet meer zo gewend aan boeken die ergens over gaan.

Wat zo knap is aan dit boek, is dat je voelt dat er iets staat te gebeuren. Maar dat er ondertussen niks gebeurt. Of niks. Niks waarvan je denkt: a leidt tot b leidt tot c. Nee.  De hoofdpersoon gaat naar haar werk. Ze bezoekt haar opa. Ze praat met de buurvrouw en brengt foto’s naar een zwerver. En je blijft lezen, omdat het plot in het hoofd zit van de hoofdpersoon. Wat gaat daar gebeuren?

4 april

“De hele avond volg ik de verhuizing van achter het raam. Ik gebruik mijn verrekijker, maar alleen door de kier van mijn gordijnen.” – p.90

Nee. Echt snel vorder ik niet. Maar dat komt door de trein. Dat komt echt door de trein. Ik lees alleen maar in de trein. De ene keer zit er een kolos naast me, die er voor zorgt dat ik me in allerlei ergonomisch onverantwoorde bochten moet wringen en al mijn aandacht nodig heb om maar niet met mijjn elleboog in zijn steunvet verzeild te raken, de andere keer zit er een veel te fris gewassen jongedame uit de polder tegenover me met iets te veel fris gewassen argumenten om toch vooral niet aan een boek te denken. Maar meestal sukkel ik gewoon in slaap. U weet wel. Mond half open.

Maar toch. Ik blijf geboeid. Want ik voel: er is een climax aanstaande.

 

Was alles maar konijnen boekomslag

 

Zegt het voort:
  • email
  • Twitter
  • Hyves
  • Facebook
  • NuJIJ
  • LinkedIn
  • eKudos
  • Digg
  • Print