Picoparty

12:40
Over een uur en twintig minuten moet ik in het Spaarnegasthuis zijn. Ik heb het opgezocht, het is ongeveer veertig minuten lopen. Ik ben twee keer naar de wc geweest sinds ik om half elf, een half uur te laat, het tweede zakje picoprep innam. De vriendin die me na afloop komt ophalen appt: hoe is het met de picoparty? Ik zeg dat het meevalt. Ik zeg niet dat ik me zorgen maak over de voortgang. Een kwartier geleden dronk ik de laatste halve liter appelsap en nu zit ik te wachten tot die er weer uit komt. Ik heb niet het idee dat ik schoon ben. Ik denk dat je het zo noemt, schoon. In het boekje van de endoscopist zeggen ze dat je geen stukjes moet zien, en dat de ontlasting dezelfde kleur en substantie moet hebben als het vocht dat ik inneem. Appelsap. Als ik in de toiletpot kijk, zit dat schuim van die toiletblokjes in de weg. Ik veeg het met een opgevouwen toiletpapiertje opzij. Het water lijkt bruin, of geel. Is dit appelsap? Ik zie ook geen stukjes, maar misschien voelde ik ze wel. En is die laatste halve liter er nou al uit? Ik controleer de tijd. Bijna. Straks die veertig minuten wandelen. Ik voel geen aandrang, maar dat zegt niks met dit spul. Eerst maar even handen wassen.

14:25
Een verpleegster rijdt me met bed en al naar de behandelkamer. Ze vraagt of ik mijn voeten even binnenboord wil houden. Die heb ik aan twee kanten onder de deken  uit gestoken voor wat verkoeling. Halverwege de gang rijdt ze alsnog tegen een muur aan. ‘Oh sorry,’ zegt ze. ‘Ik was verdiept in mijn telefoon.’ Voor de deur met de behandelkamer passeer ik de jonge vrouw die voor mij aan de beurt was. Ze was vooraf erg nerveus. De verpleegster vraagt haar hoe het ging. De vrouw zegt dat het veel pijn deed. ‘Ach lieverd,’ antwoordt de verpleegster. Het bed van de zenuwachtige vrouw wordt langs me gereden. ‘Sterkte,’ zegt ze tegen me. Ze steekt haar duim op.

14:29
In de krappe behandelkamer zijn twee oudere vrouwen en een jonge vrouw druk bezig met allerlei computers en apparaten. Ze geven me alle drie een hand. Ik vergeet hun namen direct weer. Een van de oudere vrouwen zegt dat ze wat gel op mijn anus gaat smeren en voor ik kan antwoorden smeert ze inderdaad wat gel op mijn anus. De jongere vrouw zegt dat ze de dokter is en na wat vragen (nee ik werk niet dagelijks met varkens of kippen), zegt ze dat ze me het roesje gaat toedienen. Ik verwacht dat ik meteen in slaap zal vallen. Dat was de vorige keer ook zo. Maar ik blijf wakker. Tenminste, daar lijkt het op. Ik weet niet of ik fragmenten mee krijg of de hele behandeling. Een van de verpleegsters checkt mijn hartslag. De dokter zegt dat het er heel goed uit ziet. Ik kijk mee op het scherm. ‘Best sexy darmen, inderdaad,’ zeg ik. De verpleegster glimlacht: ‘Enorm sexy.’ De dokter zuigt wat gele derrie weg. ‘Sorry, de laatste appelsap,’ zeg ik. Zonder stukjes. Ik ben trots.

16.02
In de rustkamer duurt het een paar dutjes voordat het tot me door dringt dat ik zelf moet aangeven dat ik klaar ben om te gaan. Ik kleed me aan en app de vriendin dat ze me kan komen ophalen. Ze zit al om de hoek te wachten. Door het wandelen gaan mijn darmen luid tekeer. Ik zeg dat ik nog even naar de wc wil. ‘Neem je tijd,’ zegt de vriendin, en ik antwoord dat ze duidelijk de werking van picoprep onderschat. ‘Rustig aan is geen optie.’

22.30
Ik vertel mijn vriendin aan de telefoon over de middag. Ze zegt dat ze baalde dat ze me niet kon halen en dat ze nerveus werd toen het lang duurde. Ik zeg dat alles goed is met mijn darm, en vertel dan over de picoprep, de sexy darmen en de dutjes. Ze moet lachen en realiseert zich dan dat het misschien niet superhandig van mij was om een dag voor mijn picoparty voor haar en mij scherpe Indiase Tandoori te bestellen. ‘Sjongejonge Ralph,’ zegt ze, en in gedachten zie ik haar in Amsterdam haar hoofd schudden ‘Wel een mooie binnenkomer voor je, straks bij mijn familie,’ opper ik. Ik heb haar al verteld dat mijn familie een eindeloos repertoire aan Ralph-niet-zo-handig-verhalen op de plank heeft liggen. Ze vindt dat een goed idee, voor ooit.

Jong en oud tegelijk

Mijn jongste moet naar bed. Dat is al sinds ze kan praten en lopen een lange dans van haren kammen en kamer opruimen en nog even alles vertellen wat ze nog niet verteld had, en oja, nog even naar beneden om dit-en-dat-en-zus-en-zo. En zoeken naar apie. Want haar knuffel sinds de wieg is altijd kwijt. En zonder apie geen slapen. Wat zeg ik: zonder apie geen leven.

Ook nu is apie kwijt. Ik til direct geroutineerd kussens en dekbed op, maar ze houdt me tegen. ‘Dat is niet meer nodig,’ zegt ze achteloos, en met die paar woorden sluit ze haar kindertijd af. Tenminste, dat maak ik ervan, haar sentimentele vader. Ik bestudeer haar. Zou ze zich schamen en denken dat het niet meer kan? Dan moeten we het er misschien even over hebben. Moeilijk toch, dat peilen van beginnende puberbreintjes.

Een paar dagen later. Op een luie zondag hoor ik het onmiskenbare geluid van graaiende handen in de playmobilmand. Mijn VWO2-er en brugklasser zijn in de beschutting van hun warme zolder en elkaar weer even klein. Ze stellen de poppetjes weer op volgens hun oude en vaste patronen.

Ik ga op de trap zitten en luister naar hun spel. Net als geuren hebben geluiden het vermogen om je razendsnel door de tijd te laten vallen. Eerst naar hun kleuterverjaardagen met vloeren vol playmobilopstellingen. Dan door naar mijn eerste middag met een nieuwe brugklasvriend. Hij kwam bij mij, we noemden het geen afspreken of spelen meer, maar toch renden we de hele middag als basisschooljongens achter een skatebord aan. We namen telkens de tijd op met een stopwatch en schreven die dan op een wit velletje papier. Spelen. Twaalf, dertien, veertien. Het zijn verwarrende leeftijden. Te jong voor van alles, te oud voor van alles.

Net als ik denk, ‘gelukkig, het oude is nog niet helemaal afgesloten, en het nieuwe nog  niet helemaal begonnen,’ hoor ik ze alles weer in de mand gooien. ‘Saai,’ zegt een van hen. Gedecideerd wordt de mand in de hoek geschoven. Boink tegen de muur. Even later hoor ik die weerzinwekkende stem van vlogmeisje Djamilla door het trappenhuis schetteren.

Ik kijk naar mijn voeten op de onderste traptrede. En realiseer me dat de enige die tussen twee leeftijden in blijft hangen hun veel te sentimentele vader is. Zij zijn zelf precies waar ze moeten zijn: jong, oud, alles tegelijk.

 

[Deze column verscheen eerder op tishiergeenhotel]

Ik ging shoppen met de oudste en begreep niks van wat ze zei

De oudste had weer eens NIKS MEER om aan te trekken. Dus ik trok haar kast open, wees een stapel truien aan, en zei ‘En dat dan’ zoals een vader dat behoort te doen. Geheel volgens traditie werd die vraag wegge-tsss’t. Een tsss is altijd een prima argument, vindt mijn oudste.

Goed. Wij dus naar de stad. Dat was tenminste het plan, maar bij de voordeur zakte ze in elkaar: ‘Dit kan echt niet’. Ik vroeg wat ‘dit’ was, want ik zag het niet. Het was iets met haar schoenen en haar broek. Iedereen op straat zou haar uitlachen. Ik zag na haar uitleg nog steeds niet wat ‘dit’ was. ‘Dat heb je toch altijd zo?’ zei ik. Ze gaf me een oogrol. Ik vroeg of ze dacht dat iedereen op straat naar het randje tussen haar broek en haar schoenen zou kijken en zei er bij dat ik in ieder geval vermoedde van niet. Dat hielp niet. Maar ze ging toch mee. Ik zei dat ik trots op haar was. Ik denk dat ik het meende.

Het was belachelijk druk in de winkelstraat, maar de oudste vond het ‘juist heel rustig’. Ik zei dat ik in één minuut al drie keer bijna tegen iemand aan was gelopen. ‘Lekker handig van je,’ antwoordde ze en ze liep een winkel in. Ze wilde eerst even ‘scannen’. Ik vroeg wat dat was. Dat was kijken, maar dan anders. We scanden vier winkels. Na het scannen kwam het echte shoppen. Winkel één sloeg ze over, omdat die winkel écht niks voor haar was. Mij was juist opgevallen dat alle vier de winkels volstrekt inwisselbaar waren. Ik besloot deze analyse niet met haar te delen.

Ze pakte een grote tas van een rek en begon die te vullen met kleding die ze wilde passen. ‘Wat handig,’ zei ik over die tas. Ze reageerde niet. Na twee rekken draaide ze zich om en vroeg of ik ‘daar’ wilde gaan staan, omdat ze nerveus van me werd. Bij ‘daar’ wapperde ze met haar vrije hand naar een hoekje naast de trap waar nog meer vaders stonden. Ik ging niet bij ze staan, want er zijn grenzen. In de hoek die ik uitzocht was het minder druk. Dat kwam waarschijnlijk doordat boven mijn hoofd een grote luidspreker hing, waaruit muziek klonk van een genre en op een volume dat alleen bedoeld kon zijn om hangvaders weg te jagen.

Na het derde liedje mocht ik mee naar de paskamers. Ik ging zitten op een stoel naast de spiegel. Ze liet me een rij ogenschijnlijk identieke shirts en truien zien met bij elk stuk de vraag wat ik er van vond. De witte met twee blauwe strepen vond ik het leukst, zei ik, ook al zag ik het verschil met de drie andere witte truien niet echt. Als mijn lukrake mening anders was dan die van haar, schudde ze haar hoofd met een lachje. Bij één trui had ik wel meteen een duidelijke mening. Ik zei dat ze een blote navel had. ‘Ja, en?’ zei ze toen. Ik zei dat ik dat geen goed idee vond. Ze haalde haar schouders op. Een ouder meisje dat naast haar stond te passen zei tegen haar dat ze de vorige trui mooier vond. ‘Oh dank je,’ zei mijn dochter. Ze glimlachte en keek nog een keer in de spiegel.

Bij de kassa zei ze dat ze heel tevreden was. ‘Bedankt pap,’ zei ze. Ik zag dat ze die witte trui met die twee blauwe strepen had uitgekozen. En die naveltrui niet. Ik betaalde zonder daar iets over te zeggen. Thuis zei ik dat ik niemand in de stad had zien lachen om het randje tussen haar broek en haar schoenen. ‘Dat komt doordat jij nooit oplet,’ antwoordde ze.

 

Deze column verscheen eerder op tishiergeenhotel.

Moet ik ze nog lastig vallen met vaderdag?

Ik heb altijd een wat afstandelijke houding gehad tot Vaderdag. Het is toch het gekke broertje onder de feestdagen. Vaderdag past voor mij in een rijtje met Valentijnsdag, waar ik op spuug, en, en ik noem maar een dwarsstraat, de internationale dag van de wind (15 juni, geniet er alsjeblieft een beetje van, in godsnaam).

Ik ben niet de enige, denk ik. Niet voor niets zag ik afgelopen Moederdag weer veel twittervrouwen grappen maken over het vieze ontbijtje met slappe thee dat ze van hun kroost kregen. Een tweet over wéér een gekleide asbak is snel gemaakt. Een foto van de ontplofte keuken die je van je pubers gratis bij de aangebrande afbakcroissants krijgt misschien nog wel sneller.

Niet dat Moederdag en Vaderdag hetzelfde zijn. Ja, vroeger wel, toen maakten mijn dochters wat op de basisschool en giechelden ze me om half zeven wakker, net zoals ze dat bij hun moeder deden op Moederdag. Maar nu ze zijn gaan puberen, reflecteert de dag meer de relatie die ze met me hebben.

Mijn oudste laat doorgaans graag hoofdschuddend doorschemeren hoe ze mijn aanwezigheid in haar dagelijks leven ondergaat, maar hecht tegelijk erg aan traditie en duidelijk omschreven momenten van houden van: verjaardagen, kerst, oud en nieuw. En dus Vaderdag.

Mijn jongste vertelt juist het liefst de hele dag hoe blij ze is met mij, kusje hier, oh papa is zo lief daar, maar ik ken denk ik niemand die zo achteloos is voor officiële dagen.

Nou ja, ikzelf, waarschijnlijk. Ik weet daarom ook echt niet wat ik er van vind. Het is leuk als ze aan je denken, maar is het niet minder leuk als ze aan je denken omdat ze denken dat ze aan je moeten denken? Nonverbaal wordt steeds duidelijker dat ze dat inmiddels zelf ook vinden.

Maar toch. Als mijn dochters aan me denken omdat het Vaderdag is, stralen ze ineens een zachtheid en waardering naar me uit die er blijkbaar wel is, maar die er op een doordeweekse dinsdag niet zo makkelijk uit komt. En die me ontroert, en hen volgens mij ook, minstens een seconde.

Dus laat maar komen, die Vaderdag. Met of zonder cadeau. Met of zonder liedje of ontbijt. Waarschijnlijk wel een ontplofte keuken, zoals elke zondagochtend. En dan koersen we daarna onbevreesd door naar andere gedenkwaardige dagen. Donderdag over een week bijvoorbeeld. Dan is het CAPSLOCKDAG.

Benieuwd wat ik dan van ze krijg. Een oogrol, waarschijnlijk.

 

[Deze column verscheen eerder op Tishiergeenhotel.]

Raak ik ze niet langzaam kwijt?

Als mijn dochters bij hun moeder zijn is er geen kans dat ze even aanwippen. Er zit precies één Noordzeekanaal teveel tussen. Vroeger maakte dat minder uit, toen beperkte hun blik zich tot de huiskamer, de plannen van hun vader, samen naar het zwembad, het bos. Familiebezoek? Geen probleem.

Maar langzaam maar zeker en één voet voor de andere veranderen ze nu in pubers.Met puberwensen. Met een puberleven, dat groter wordt daar buiten en kleiner hier binnen, waar hun slaapkamer steeds belangrijker wordt. En waar hun ouders niet meer de maat der dingen zijn.

Geeft niks natuurlijk, ware het niet dat hun leven buitenhuis zich afspeelt in het dorp waar hun moeder is gaan wonen, aan de andere kant van dat kanaal. Daar wonen hun vriendinnen en staat hun middelbare school. Twee dingen die met de dag belangrijker worden. Ik maak het meeste van hun leven daar niet mee, dus ik ken het vooral uit de verhalen, en je weet hoe jonge meiden een verhaal vertellen. Ik denk dat ze met hun ‘en toen en toen’ zelfs van Friday the 13th een saai kabbelend beekje kunnen maken. Dus het kan zijn dat ik wel eens afhaak en essentiële informatie mis uit hun verhalen.

Verhalen die ze aan de andere kant van het kanaal waarschijnlijk niet te vertellen hebben over hun tijd bij mij: geen school en vriendinnen hier. Het is maar twintig minuten met de auto, maar voor mij is het ook een reis naar een andere dimensie, waarin ik niet thuis ben. Soms ben ik bang dat dit voor hen de andere kant op, naar mij toe, ook zo is. Af en toe,  als ze met zijn tweeën boven zitten en ik in mijn stoel voor het raam een slecht moment heb, vraag ik me af wat ik ze dan te bieden heb. Dan lummelen ze wat door het huis, netflix en youtube en uitzending gemist als hun vriend. Geen zin in dit. Geen zin in dat. Geen vriendin om even heen te fietsen.

Zijn jullie okee? – Ja hoor. *Oogrol*.

Wat gaat er om in die hoofden? Voelt mijn huis als hun Siberië? En wat moet ik dan doen? WAT MOET IK DOEN?! Kijk, ik kan mezelf die vragen wel stellen, antwoorden krijg je toch niet van pubers, nooit! Niet rechtstreeks tenminste. Het is informatie schrapen en dan puzzelen en dan is het maar de vraag of je een beetje in de buurt van iets van een waarheid komt.

Een brokje van die informatie kwam laatst, toen mijn jongste vroeg of ze een keer een weekend extra bij mij mocht zijn, omdat ze me vaak zo miste. ‘Ik heb het al aan mama gevraagd en die vindt het goed!’ Na wat heen en weer geapp met haar moeder ging op donderdag de kogel door de kerk: ‘Jij bent dit weekend bij mij lieverd,’ appte ik. ‘Oh leuk,’ was het antwoord. ‘Mag ik dan zaterdag bij N. logeren?’ N. woont in dezelfde straat als haar moeder. Ik moest er van zuchten. ‘Ja wat?’ zei mijn jongste. Haar zus viel haar bij. Ze waren hoogst verbaasd.

Toen daagde me iets van een eventuele waarheid. Ik realiseerde me dat zij die twee werelden dus helemaal niet als twee werelden ervaren. Het is voor hen één wereld, maar wel een waarin hun vader gewoon wat vaker door die tunnel heen en weer rijdt.

[deze column verscheen eerder op tishiergeenhotel]

Of ik ze niet vaak mis, die pubers van me

De jongste moest huilen toen ik haar naar bed bracht: ‘Ik vind het zo zielig voor je,’ zei ze. ‘Jij bent zo vaak alleen. En dan mis je ons zo.’ Ik streelde haar haren (‘Pap niet doen want dan wordt mijn haar vet’) en zocht naar woorden om uit te leggen dat het eigenlijk wel meeviel met dat missen. Alleen: zei ik dat voor haar of was het echt zo?

Ik denk dat ik het meende. In ruim negen jaar wennen dingen. In het begin liep ik op dinsdagavond nadat ik ze naar hun moeder had gebracht verweesd door mijn eigen huis. Dan kon ik wel janken als ik de playmobilopstelling opruimde die ze naast de bank hadden gemaakt. Alsof ik ook hen weer een week in een doos met een deksel gooide.

Die tijd is voorbij. Ze spelen sowieso niet meer met Playmobil, maar het scherpe randje is er bij mij wel vanaf. Gelukkig maar, want nu ze puberen zie ik ze ook als ze er wel zijn meer niet dan wel. Steeds vaker doen ze in hun slaapkamers hun eigen ding. Uren. En uren. En dan lees ik beneden in mijn stoel een boek, of kijk een slechte voetbalwedstrijd. Net zoals op de momenten dat ze er niet zijn. Alleen zit die stoel een stuk lekkerder als ze er wel zijn, eerlijk waar.

Toch kijk ik ook vaak uit naar mijn ‘vrije weekenden’. Hoe zit dat dan? Ik moet aan dat filmpje van Louis CK denken. Ik weet het, hij is sinds zijn #metoo niet meer het allerbeste rolmodel, maar toch, ook slechte rolmodellen zeggen soms dingen die waar zijn. Hij zei in een van zijn shows dat je wel een erg shitty ouder moet zijn als je er niet in slaagt om de helft van de tijd een goede ouder voor je kinderen te zijn, je bent immers de rest van de tijd ‘vrij’ om alles te doen waar je zin in hebt. In zijn geval bestond dat uit zichzelf betasten ten overstaan van vrouwelijke collega’s die daar niet van gediend waren. Daar heb ik het wat minder druk mee.

Alles doen waar je zin in hebt. Ik weet niet. Alsof je in de kindvrije dagen de puber in jezelf kwijt moet. Dat doe ik niet. Ik ben op die dagen vaak vooral druk met best wel weinig. Rondje hardlopen. Niet te vaak. Voetbal op TV. Dat boek in die stoel. En soms een borrel. Met dees. Of geen. Andere wereld, maar ook weer niet, want ze zijn er toch, ook al zijn ze er niet. Maar er is geen verantwoordelijkheid, en er is tijd om niet verder dan drie minuten vooruit te plannen. Misschien bedoelde CK dat. Maakt niet uit, ik bedoel dat.

‘Je hoeft je om mij geen zorgen te maken,’ zei ik dus tegen mijn jongste. En ja ik meende het. Ze zag het aan me en werd langzaam weer rustiger. Ze snikte lekker nog wat na en ik probeerde niet over haar haren te strelen. Want zorgen over je vader zijn misschien niet leuk voor een puber, vette haren zijn pas echt een ramp.

[deze column verscheen eerder op tishiergeenhotel]

De jongste had een wens voor mij

De jongste gaf me dit jaar voor vaderdag een vaderdiploma waarop ze achter ‘dit is mijn wens voor jou’ schreef: een lieve vriendin. Ik vroeg haar of ze dacht dat ik dan ontevreden was zonder, want dat was ik niet.
‘Nee hoor,’ zei ze opgewekt. ‘Je hebt ons toch. Maar het is wel leuker voor je met iemand.’
‘Ik weet dat eigenlijk niet,’ zei ik. ‘Gewoon anders.’ En ik meende het, geloof ik.

De anderhalf jaar sinds mijn laatste relatie hadden me een nooit verwachte waardering bijgebracht voor het leven alleen. Niet dat ik het niet probeerde. Datingapps zijn geduldig en het is ook niet dat ik stomme vrouwen ontmoette, verre van. Ja nou okee, niet elk contact ging even soepeltjes en het kan zijn dat ik daar links of rechts ook zo mijn aandeel in had, communicatiegewijs, of laten we zeggen ‘niks meer laten horen-gewijs’, maar ja dat hou je toch.

Wat ik natuurlijk bedoel: er waren leuke vrouwen, maar er kwam geen oef, die al het redeneren wat je zo doet als je iemand leert kennen overbodig maakt. Dus ik dacht: dan toch lekker niet! Ik heb twee kinderen, een baan, Fox eredivisie en thuisbezorgd. Wie doet me wat?

Precies toen ontmoette ik iemand, daar schreef ik al over, het was op het laatste randje van de zomer, vrolijk muziekje in mijn hoofd, al mijn zintuigen op scherp, oef. En als ik zag hoe ze mij bekeek, vond ik mezelf ook best een nice catch. De jongste, die een radar heeft voor dat soort dingen, zei op een avond  tijdens het eten tegen de oudste: ‘Volgens mij is papa verliefd ofzo, er is iets met ‘m.’ Ze vonden het leuk voor me.

Alleen, die iemand verdween ook heel rap weer, en daar schreef ik dan weer niet over. Het was nog pril allemaal,  maar er is niet veel tijd nodig hè. Des te meer tijd is er blijkbaar nodig om dat weer kwijt te raken. Ik deed ook niet mijn best om mijn hoofd te legen en dat is nieuw voor me. Ik was altijd meer van het uit-het-oog-uit-het-hart-model.

Van de week, bijna drie maanden later alweer, vroeg de jongste hoe het eigenlijk was met die ene vrouw uit Haarlem die ik zo leuk vond. Ik vertelde dat ik haar niet meer zag, en ze vroeg of ik dat jammer vond. Ik zei dat dat zo was. Understatements doen het bij mijn kinderen altijd goed, is mijn ervaring. Toen vroeg ze of ik haar nog steeds leuk vond. Ik zei dat ook dat zo was, dat ik haar graag beter had leren kennen.
Ze knikte.
‘Zie je wel,’ zei ze. ‘Ik zei toch dat het leuker is met iemand.’
‘Niet met zo maar iemand.’
‘Nee, hè hè.’

Het is allemaal ook niet zo ingewikkeld.

Whatsapp telt niet

We zaten op de bank en de jongste was met haar telefoon bezig. Ze giechelde, keek nog eens extra naar haar telefoon, en giechelde weer. Toen driftig typen, even wachten, en weer dat gegiechel. Nou is dat appen en facetimen en dat netflix-musically-youtube-snapchatgebeuren tegenwoordig dagelijkse kost, maar het was voor het eerst dat ze me haar telefoon liet zien: kijk nou! Het waren berichtjes in whatsapp. Iemand, een jongen, had haar een link gestuurd naar een zoetsappig boybandliedje, met daaronder de tekst: dit is wat ik voor je voel. En of ze verkering wilde.

Het was het gemak en de vertrouwdheid waarmee ze dit met me deelde die me trof. Toen ik elf was, zoals zij nu, werd ik eens gebeld door een klasgenootje, dat me verkering vroeg, waarop ik beschaamd en verlegen nee zei, de verbinding verbrak en naar mijn kamer rende en hoopte dat niemand en vooral mijn ouders niet me ooit zou vragen waar dat nou weer over ging. Het koste mij mijn hele puberteit om aan die schaamte en verlegenheid te ontsnappen, ellende die de jongste nu al voorbij is, of gewoon niet in zich heeft, voor haar weer andere uitdagingen.

Ik keek naar de foto van de afzender. ‘Is dat ehh…?’ Met die ‘ehh’ bedoelde ik: die soms wat explosieve jongen.
Ze knikte, ja, dat was ehh. Ze zei dat ze het raar vond dat veel kinderen niet door hadden dat hij EIGENLIJK heel aardig was.
‘Dus je vindt hem ook leuk?’
Ze knikte.
‘Dus wat ga je antwoorden?’ vroeg ik.
Ze haalde laconiek haar schouders op. ‘Oh, gewoon, dat hij het maar moet vragen als hij me ziet. Op whatsapp telt niet vind ik.’
Ze legde haar telefoon weg en voor zover ik het kon inschatten, dacht ze er geen seconde meer over na. Ze maakte me tenminste stevig in met yahtzee.

De volgende dag vroeg ik haar na school of hij het gevraagd had.
‘Huh?’ zei ze.
‘Die jongen.’
‘Welke jongen?’
‘DIE JONGEN VAN HET APPJE GISTEREN!’
‘Oooh die. Nee natuurlijk niet, dat durft hij niet. Wist ik al.’
‘En nu?’
‘Huh?’
‘Laat maar.’
‘Okee. Wat eten we?’

Ik keek nog even goed naar haar. Haar glimlachje verraadde iets, maar ik wist niet wat en dat was voor het eerst. Meer dan wie ook kon ik haar altijd lezen, haar gedachten, haar wensen en haar humeur, en nu niet meer. Blijkbaar had ze toen ik de afgelopen tijd even de andere kant op keek de vrije ruimte opgezocht, en daar een plekje gevonden waar ik net iets minder goed bij kon. Een eigen plek. Goed van haar.

Ik gaf haar een knipoog, want alles goed en wel, zo lang de puberteit nog moet beginnen hou ik de illusie van de alwetende vader graag in stand.

Mijn huis

Ik woon intussen al bijna tweeënhalf jaar in Haarlem, maar gek genoeg vroegen de afgelopen maanden los van elkaar verschillende mensen of het nog okee was. Ze dachten blijkbaar dat ik in Schagen was gebleven als de vriendin van toen er niet was geweest. Dat is niet zo. Misschien was ik zonder haar niet precies hier beland, in dit perfecte huis in deze volkswijk in deze mooie stad, op een ruim kwartier van mijn kinderen en hun scholen, maar hee, details.

Het kan best dat ik dat niet zo heb uitgestraald, waarom zouden ze er anders over beginnen? Maar het huis is bijna af. Er waren klusjesmannen, eentje won ik via een actie over de grootste klusblunders op de radio en die schilderde mijn klassieke trap die al die tijd zo haveloos bleef. Het laatste, het meeste, schilderde ik daarna zelf, en ik merkte dat het huis met elke keer schuren, met elke laag zijdeglans RAL9010 en met elke keer dat ik het deksel weer met de achterkant van de keukenschaar op de verfpot sloeg meer van mij werd.

Ik was dit jaar een paar keer in die kroeg in Schagen waar alle feestjes altijd waren, en vanavond ben ik in de kantine waar ik het honderden keren laat maakte en het zal weer voelen als thuis komen. Het interieur is veranderd, verder zal alles bekend zijn, de koppen, de gesprekken. Het gaat niet om de verhalen die we al eerder vertelden, en de grappen waarom we al eerder lachten, het gaat om het ritme en de cadans van zo’n avond, vaste patronen die me niet alleen fysiek terug brengen in mijn dorp waar ik iedereen ken, en waar ik weet wat er om elke hoek te vinden is.

Ik voel me er thuis, in mijn dorp, meer dan ik verwacht me ergens ooit thuis te zullen voelen, vanwege al die jaren, dat ritme dat deel van me is geworden, net als de lucht en de mensen, mijn grote familie. Ook snap ik nog steeds waarom ik er weg ging en is het niet waarschijnlijk dat ik weer terug zal gaan, ik heb een nieuwe plek gevonden, en die staat strak in de verf.

De ringen van de boom

Het werd langzaamaan een jaarlijkse traditie, mijn angst voor de eindejaarswedstrijd van mijn zaalvoetbalclub. Al die jongens voetballen nog wekelijks met elkaar. Alleen ik niet. Toch schijn ik elk jaar de eerste te zijn die reageert op het mailtje van Theo. Misschien wel juist daarom. Dat mailtje komt meestal in oktober. ‘Vanaf nu niks meer doen,’ mailt Theo dan. Hij weet hoe dat gaat met die spieren van mij. Maar het zijn niet eens mijn spieren die me schrik bezorgen, gewoon rustig aan en veel wisselen, nee, het is iets anders. Het hele jaar kan ik doen alsof er niks aan de hand is, dat ik nog steeds de atleet van weleer ben, maar in die kleedkamer niet. Scherprechter is al jaren het moment dat in de kleedkamer de shirts verdeeld worden. Ik was een keer wat laat, was er alleen een maatje S over, wit. Ik als een rollade over het veld. Voor iedereen leuk. Voor mij wat minder. Dus nu duik ik al jaren als eerste in de kledingtas, op zoek naar een XL. Symptoombestrijding.

Dat moest anders.

Begin maart had ik een intake bij die manueel therapeut annex De Wonderdokter uit Bos en Lommer, die mij voor eens en altijd van mijn spierproblemen zou afhelpen, zodat ik kon gaan hardlopen, zodat ik weer strak in mijn vel zou geraken, zodat, etc. Ik liep in mijn onderbroek heen en weer over zijn vergeelde laminaat, hij voelde aan mijn rug en mijn benen en ondertussen vertelde ik hoe het zat.
‘Ja maar wacht even,’ onderbrak hij me. Ik zat op de behandeltafel, en hij leunde in de vensterbank, met zijn lange benen en zijn grote handen. Imposante man, die wonderdokter. Stilte. Best fris ook.
Ik wachtte even, want dat vroeg hij.
‘Kijk,’ begon hij. ‘Van hardlopen is nog nooit iemand afgevallen.’ Ik lachte en keek om me heen voor steun, maar we waren met zijn tweeën in de kamer.
‘Na je veertigste zijn er twee mogelijkheden,’ ging hij verder. ‘Of je krijgt er elk jaar, als een boom, een ring bij, of je verandert je leefstijl.’
Hij stelde wandelen voor. Wandelen. Sekslozer dan een beige fleecetrui.
‘Wandelen?’ vroeg ik.
‘Wandelen,’ antwoordde hij. Elke dag. Maar hij wilde me wel behandelen hoor, geen probleem, alleen jammer dat mijn verzekering het niet dekte.

Dus ik wandelen. Elke dag, twintig minuten naar het station, een kwartier naar mijn werk, weer terug, en in het weekend naar de stad, enzovoort. Het slot van mijn fiets roestte langzaam dicht en ik installeerde een app waarop ik invulde wat ik precies at en dronk en die app vertelde mij welke calorieën precies te veel waren, en dat bleek reuze mee te vallen.

Ik kocht een weegschaal en hield mijn buik in als ik er op stapte, dat hielp niet maar het wandelen en het calorieën tellen hielpen wel en de kilo’s gingen, eerst snel en toen langzaam en ik installeerde nog een app, de seven minute workout, en ik deed die oefeningen elke ochtend, of nou ja, bijna, en na de zomer hoefde ik mijn buik niet meer in te houden op de weegschaal en was ik veertien kilo kwijt.

Op een borrel raakte een knappe jonge vrouw mijn bovenarm aan en ze zei ‘zo zo, spiertjes?’ en ik dacht aan de wonderdokter met de lange benen en de grote handen, aan de rondjes die ik niet rende, aan die ring die er niet bij kwam en aan al die ringen die ik kwijt was, en vooral dacht ik aan dat moment eind december in die kleedkamer in de Groeneweghal, wanneer ik voor het eerst sinds jaren onbevreesd en zonder te kijken een shirtje uit die kledingtas trek.