125th and Lexington

Onze laatste dag in New York voor de oversteek naar Long Island rekken we net iets te lang. Iedereen heeft honger. Al vanaf Madison Avenue in de Upper East Side gaat het over de pizzaslices uit het tentje bij metrostation 125th street.

125th street, ons metrostation, is de laatste halte in Spanish Harlem. Het is alsof de straten rondom dat station bleker zijn dan die in ons blok, vijf straten zuidelijker. Het licht lijkt er scheller en het asfalt heter. Om de twintig meter heeft een dakloze een plekje gezocht, links en rechts schieten verward ogende personen voorbij. De meeste indruk maakt al dagen de dikke Afrikaans Amerikaanse vrouw zonder tanden die languit in de volle zon midden op de betonnen stoep ligt, haar shirtje tot boven haar navel opgeschoven. Met haar arm voor comfort onder haar hoofd mompelt ze wat voor zich uit. De jongens hebben haar Shirley gedoopt.

Het pizzatentje is een bloedheet hok op de hoek, naast de metrouitgang. Achter een toonbank met een plastic raam erboven staan twee mannen zich uit de naad te werken. Pakistani, gokt P. Of hoe heet dat land. Afghanistan?

Die jongens van P. haalden er al eerder een pizzapunt voor een dollar, we waren binnen en buiten in een minuut. Snel genoeg om de mannen die binnen kwamen en wild voor zich uit schreeuwden te negeren.

Nu is de bestelling groter.

Mijn oudste komt dicht bij me staan. ‘Pap ik vind dit niet bepaald prettig.’

We gaan buiten staan. Een oude grijsaard komt uit zijn groepje op de hoek bij ons staan. Waar we vandaan komen. Nou dat is toevallig, Holland, daar komt zijn vader ook vandaan. Ze noemen hem hier op de straat Dutch Black. Hahaha. Dat vindt hij grappig. Zijn ogen draaien los van elkaar alle kanten op. We gaan maar weer naar binnen.

P. krijgt net onze twee pizzadozen aangereikt. Een gespierde latino met boze ogen blijft achter ons aan lopen. Hij wil een slice. Wat geld. Geld krijgt hij. Na dat geld wil hij een hug van P. Die krijgt hij niet. Hij haakt af. We lopen sneller dan de vorige dagen.

‘Dit is echt een achterbuurt,’ zegt mijn oudste, die langzaam weer ontspant.

Ja, niks tegen in te brengen.

Een bocht verder is het vriendelijker op straat. Daar is onze loft. Een collectieve zucht.

Binnen komt langzaam de branie weer terug. Of we morgen nog afscheid gaan nemen van Shirley, wil een van die jongens weten.

We laten het in het midden.