Een prachtige wedstrijd om over te slaan

Je zou denken dat Finland – Rusland een ideale eerste EK-wedstrijd is om over te slaan. Finland – Rusland. Het is de naam van zo’n typische kwalificatiewedstrijd in november die je in drie minuten samenvatting voorbij ziet komen, en dat je dan denkt: goed dat we die twee straks als het om het echie is niet terug zien.

Nu is het om het echie. En doen ze toch mee.

Finland kan er niet bijzonder veel van. Vroeger hadden ze Litmanen en Hyypia en Vayrynen en Kolkka en Forssel en vooral dus Litmanen, en waren ze evengoed kansloos voor kwalificatie. Nu hebben ze ene Puukii en verder niks en mogen ze mee doen. Zaterdag deden ze alvast niks goed.

En dat moet dan tegen Rusland. Rusland. Ja jezus. Rusland. Grauwe balkenbrei en zure zult, dat is het voetbal van Rusland. Hou toch op zeg.

Tien minuten voordat de wedstrijd begint klik ik toch de TV even aan. Ik zie een overzichtsbeeld van de EK-Studio van de NOS. Die blonde dame die in het Nederlands vrouwenelftal heeft gespeeld zit keurig rechtop te wachten tot ze haar thuis ingestudeerde spreekbeurt mag opzeggen. Naast haar hangt Rafael van der Vaart in een oversized campingoverhemd onderuit. Op een velletje papier lijkt hij te checken wie er ook weer tegen wie speelt.

Finland – Rusland. Je ziet hem schrikken. Jezus christus, denkt Raf. Finland – Rusland.

Ja jongens. Finland – Rusland. Het is vijf minuten voor aanvang de blonde voetbalvrouw is aan de beurt. Hallo ik ben Mandy en mijn spreekbeurt gaat over Finland – Rusland.

Finland – Rusland wordt met de seconde een grotere kanshebber om de eerste EK-wedstrijd te worden die ik oversla.

Het begin is er. Het geluid heb ik al uit gezet.

Verdediger Glik

Op maandag worstelde ik me koortsig en snotterend door Polen – Slowakije. De oudste zag me liggen tussen mijn berg zakdoekjes, taxeerde de boel en zei: ‘Dus je gaat echt alle wedstrijden kijken?’ Voor iemand met weinig interesse in voetbal was dit gezien het affiche een redelijk accurate vraag. Laat ik het zo zeggen: gisteren dacht ik nog dat er in het leven weinig erger is dan kijken naar een wedstrijd van Oostenrijk. Inmiddels weet ik, van Polen tegen Slowakije knapt een mens ook niet op.

Gelukkig was er verdediger Glik. Verdediger Glik is een Pool met een gezicht dat nog het meest lijkt op een flink stuk varkensvlees. In dat gezicht staat een klein mondje zonder lippen altijd half open. Met verbaasde vissenogen kijkt hij om zich heen naar al die mannen die tegen een bal trappen. Wat doen ze nou allemaal, zie je hem dan denken. Ik zag hem met zijn telgangerspas tussen zijn ploeggenoten dribbelen, en ik dacht: ha, daar heb je verdediger Glik van Monaco. Het is ernstig dat ik zo’n speler bij naam en werkgever ken. Ter geruststelling scrolde ik op vi.nl door de opstellingen. Daar merkte ik tot mijn opluchting dat ik maar twee spelers van Slowakije kende, en naast Verdediger Glik maar drie van Polen.

Ook dat is het EK. Zie eens hoe weinig écht goede spelers er eigenlijk zijn. Dan kijk je tussen het hoesten door zo’n beetje naar zo’n wedstrijd en dan zie je tweeëntwintig grotendeels onbekende spelers die er niet in slagen de bal vaker dan drie keer achter elkaar naar een ploeggenoot te schieten. Een gedachte is dan nooit ver weg: van deze tweeëntwintig spelers zijn er minstens tien miljonair. Op de logische vraag die nu volgt, heb ik hier het antwoord.

Het vermogen van verdediger Glik wordt geschat op zeven miljoen euro.

Ik vind dat een mooi bedrag.

Ik keek de wedstrijd met griep

Ik maakte me zorgen over Nederlands eerste wedstrijd op het EK want ik had griep. Tenminste, dat was mijn eigen diagnose. Mijn oudste dochter (16) had een ander oordeel. Zij vond dat ik me gedroeg als een typische man. ‘Ik ben ook verkouden,’ zei ze. ‘Heb je daar wat van gemerkt?’ Opvoeding geslaagd, dacht ik.

’s Middags keek ik midden in een groeiende berg zakdoekjes eerst de wedstrijd van Engeland en daarna de wedstrijd van Oostenrijk. Er is in het leven weinig erger dan kijken naar een wedstrijd van Oostenrijk. Weinig, behalve griep.

Om half negen begon mijn voorbereiding op de wedstrijd van Nederland. Ik dronk een liter water, vulde de fles nog een keer, nam een paracetamol en een hot coldrex en legde vier pakjes zakdoeken klaar.

We keken met zijn drieën, de oudste dochter, de jongste dochter (14), en ik. De jongste dochter leefde hartstochtelijk mee. Samen zongen we het Wilhelmus. ‘Wat staat de TV hard,’ zei de oudste. ‘Anders hoor ik het niet door mijn griep,’ zei ik. ‘Verkoudheid,’ zei de oudste.

Tegen het einde van de eerste helft ontdekte de jongste dat Nederland van links naar rechts speelde, en niet van rechts naar links. Ze haalde haar schouders op. Toen ik voor de derde keer op de wc zat vanwege die liter water, gilde ze dat Matthijsje een eigen doelpunt had gemaakt. ‘Matthijsje zit op de tribune lieverd,’ riep ik vanaf de WC. ‘Ah wat snoezig,’ was haar antwoord.

Het werd 2-0. Toen 2-2. Toen 3-2. Wij blij. Ik nam nog een paracetamol. De oudste en de jongste gingen slapen. Ik zette de tv wat harder voor de nabeschouwing. Ik hoorde het evengoed slecht. Dat kwam door de griep.

Of de verkoudheid.

Nieuwe buren

Ik ben verhuisd, al ruim voor Corona. Ik woon nu in een mooi en ruim huis tegenover het station in een oud forensendorp onder de rook van Zaanstad en Beverwijk. Mijn dochters fietsen vanaf hier binnen vijf minuten naar hun moeders huis, naar hun vriendinnen en met heel veel wind in de rug in een kwartier naar hun school.  Ik moest lang wennen aan het idee. Nee, dat zeg ik verkeerd. Lang leefde ik in de wetenschap dat ik hier nooit zou gaan wonen. Daar waren veel redenen voor, maar vooral: zo zat het in mijn hoofd. Toen het idee zich aandiende dat ik het misschien toch moest overwegen, om allerlei redenen waarvan ik de belangrijkste hier boven heb genoemd – vijf minuten op de fiets – had ik binnen een maand een huis gekocht. Want ik wist: als ik het niet doe terwijl ik het wel had overwogen, zou het blijven knagen en zou ik elke dag dat mijn dochters bij me waren met wat schaamte denken aan de beslissing die ik niet nam, en me afvragen of het beter zou zijn geweest. Dus ik verhuisde.

Na een aantal verhuizingen weet ik inmiddels dat verhuizen me goed af gaat. Ik ben snel tevreden en wen snel aan een nieuwe plek. Nu al helemaal, want het dorp onder de rook van Beverwijk en Zaanstad doet me in meer dingen dan ik me had kunnen voorstellen denken aan het dorp waar ik opgroeide. Ik groeide daar goed op, dus dit dorp bracht een vertrouwdheid die me snel kalmeerde. Ik woon in het oude deel van het dorp, een ratjetoe aan bouwstijlen rond een lint van boerderijen die nu zijn omgebouwd tot luxe woningen. De Vinex is aan de andere kant van het spoor. Om de hoek is een kinderboerderij en daar wonen drie geiten en een varken. En achter die kinderboerderij strekken zich weilanden en vaarten uit, en daar weer achter glijden de auto’s voorbij op de A9.

Ik woon in het derde huis van mijn straat. Vandaag heb ik een zwevend bureau opgehangen in de huiskamer want al dat thuiswerken verdient wat comfort. Ik vind het bureau stijlvol, maar mijn oudste vindt het raar zo zonder poten en het blad had ook wel wat dunner gemogen. Ik legde uit dat het zo dik is omdat er een zwaar stalen frame in zit. Ik maakte van het klussen een hyperlapsefilmpje. Dat is een film die het gefilmde versneld afspeelt, zoals in die zwartwitfilms van Harold Lloyd die vroeger werden uitgezonden op tv. Het klussen ging heel goed en het was een aardig filmpje, al zeg ik het zelf, maar ik heb het niet op twitter gezet, of op facebook of instagram. Ik zie dat als vooruitgang, maar dit terzijde. Wel stuurde ik het naar mijn vriendin en mijn dochters. Mijn oudste zei dat ze het niet had gekeken: ‘Sorry dat trekt me niet.’ Mijn jongste zei dat ze had doorgespoeld naar het einde. Mijn vriendin keek het filmpje een aantal keer. Ze stuurde me screenshots van momenten waarop ze me heel sexy vond. Dat vertelde ik mijn dochters. Die vonden dat iets te veel informatie.

Wat ik na al die verhuizingen ook weet is dat inburgeren bij mij minder vanzelf gaat dan wennen. In mijn vorige huis woonde ik tussen twee mannen van wie ik de namen alweer ben vergeten en van wie ik alleen heb onthouden dat de ene elke dag ging tennissen en dan ‘s avonds laat terug kwam en  dan voor de deur het gravel van zijn schoenen stampte, en dat de ander een scooter en vergeelde vitrage had. In het huis ervoor woonde ik naast een vrouw van onbestemde leeftijd met een bril en kort haar en verder dan een ‘lekker bezig?’-gesprek als ik in de voortuin lekker bezig was zijn we nooit gekomen. Nu weet ik na een klein half jaar al meer over mijn nieuwe buren en ik vraag me af of dit iets over mij zegt, of dat ik het hiervoor gewoon niet zo getroffen had. Ik denk allebei.

Het eerste huis in mijn straat is een Italiaans restaurant. De eigenaar is een Italiaanse kerel die al ruim twintig jaar in Nederland woont, een klein half uur rijden hier vandaan in Heerhugowaard. Hij rijdt in een witte fiat 500 die altijd glimt, net als zijn snor die ook nog eens perfect getrimd is, zelfs tijdens het hoogtepunt van Corona zag hij er piekfijn uit. Ik mag van hem door de achterdeur naar binnen. Daar zijn we buren voor, vindt hij. Ik haal er altijd de pizza Sarda voor mijn vriendin, dat is die met aubergine en dan wil ze de helft minder kaas. Zelf neem ik dan die pikante met veel vlees. Mijn vriendin zegt dat ik daar langzaamaan wat bewuster in mag gaan kiezen.

In het huis tussen mij en de Italiaan op de hoek woont een Chinese moeder met haar dochter. Een van de twee, ik denk de moeder, speelt piano. Ze oefent elke dag van vijf tot zes hetzelfde muziekstuk. En soms ‘s avonds nog een keer. Ze wordt er steeds beter in, volgens mij, maar het kan ook zijn dat ik wen aan haar pianospel. En een van de twee, ik denk de dochter, heeft een vriend met wie ze vaak ruzie maakt, of tegen wie ze in ieder geval heel hard praat als hij er is, en hij praat dan weer hard tegen haar. Ik heb de moeder één keer gesproken. Dat was toen ze zich na haar verhuizing kwam voorstellen. Ze vertelde me toen dat ze was afgezet bij de koop van het huis en dat de erker aan de voorkant lekte en dat de makelaar haar niet goed behandelde. Ze wilde weten of ik dacht dat dat kwam doordat ze geen Nederlands spreekt. Ik antwoordde dat ik dat niet wist, want zulke dingen kun je niet weten. Ik vertelde maar niet dat ik zelf had afgezien van het huis, dat tegelijk met mijn nieuwe huis te koop stond, omdat je al op de foto’s kon zien dat er van alles aan mankeerde.

In het vierde huis woont een gezin met drie kinderen. Of twee. Dat is lastig te ontdekken. Er is in ieder geval een meisje dat elke dag de hond uit laat. En er is een jongen die me al een paar keer een pakje heeft overhandigd dat bij hen was bezorgd. Knappe jongen. Ik denk elke keer als ik aanbel voor een pakje dat ik hem wakker heb gemaakt. Gisteren was hij jarig en mocht hij een feestje geven, omdat de Coronamaatregelen net op tijd waren versoepeld. De vader is een arts, dat hoorde ik van de eigenaar van het Italiaans restaurant. Die is beroepshalve beter in small talk dan ik, dus die kon me vertellen dat ook de moeder iets in de medische wereld doet. Aardige mensen, vindt hij. Dat vind ik ook. Ik mocht hun ladder lenen toen er een dakpan scheef lag en toen hield de vader die ladder aan de onderkant vast en maakten we een praatje. Dat is aardig. Gisteren toen mijn dochters en ik terug kwamen van de Italiaan vroeg hij aan ze of ze ook langs wilden komen op het feestje van zijn zoon, ook dat is aardig. Ze gingen er niet op in. ‘Ik ken die jongen toch niet,’ zei de oudste. Dat is zo. In plaats van het feestje gingen ze buiten foto’s nemen voor instagram, want de lucht was dreigend en mooi. De buurman lachte en zwaaide vriendelijk en spoedde zich weer naar het feestje van zijn zoon, waar hij de partytent moest zekeren vanwege de mooie maar dreigende lucht.

Ik weet niet wie er in het vijfde huis woont. En het zesde. En dat zal er vermoedelijk ook niet van komen. Maar ik weet dat ik hier nu woon, dat ik niet heb afgewacht en dat het inderdaad beter is. Veel beter.

125th and Lexington

Onze laatste dag in New York voor de oversteek naar Long Island rekken we net iets te lang. Iedereen heeft honger. Al vanaf Madison Avenue in de Upper East Side gaat het over de pizzaslices uit het tentje bij metrostation 125th street.

125th street, ons metrostation, is de laatste halte in Spanish Harlem. Het is alsof de straten rondom dat station bleker zijn dan die in ons blok, vijf straten zuidelijker. Het licht lijkt er scheller en het asfalt heter. Om de twintig meter heeft een dakloze een plekje gezocht, links en rechts schieten verward ogende personen voorbij. De meeste indruk maakt al dagen de dikke Afrikaans Amerikaanse vrouw zonder tanden die languit in de volle zon midden op de betonnen stoep ligt, haar shirtje tot boven haar navel opgeschoven. Met haar arm voor comfort onder haar hoofd mompelt ze wat voor zich uit. De jongens hebben haar Shirley gedoopt.

Het pizzatentje is een bloedheet hok op de hoek, naast de metrouitgang. Achter een toonbank met een plastic raam erboven staan twee mannen zich uit de naad te werken. Pakistani, gokt P. Of hoe heet dat land. Afghanistan?

Die jongens van P. haalden er al eerder een pizzapunt voor een dollar, we waren binnen en buiten in een minuut. Snel genoeg om de mannen die binnen kwamen en wild voor zich uit schreeuwden te negeren.

Nu is de bestelling groter.

Mijn oudste komt dicht bij me staan. ‘Pap ik vind dit niet bepaald prettig.’

We gaan buiten staan. Een oude grijsaard komt uit zijn groepje op de hoek bij ons staan. Waar we vandaan komen. Nou dat is toevallig, Holland, daar komt zijn vader ook vandaan. Ze noemen hem hier op de straat Dutch Black. Hahaha. Dat vindt hij grappig. Zijn ogen draaien los van elkaar alle kanten op. We gaan maar weer naar binnen.

P. krijgt net onze twee pizzadozen aangereikt. Een gespierde latino met boze ogen blijft achter ons aan lopen. Hij wil een slice. Wat geld. Geld krijgt hij. Na dat geld wil hij een hug van P. Die krijgt hij niet. Hij haakt af. We lopen sneller dan de vorige dagen.

‘Dit is echt een achterbuurt,’ zegt mijn oudste, die langzaam weer ontspant.

Ja, niks tegen in te brengen.

Een bocht verder is het vriendelijker op straat. Daar is onze loft. Een collectieve zucht.

Binnen komt langzaam de branie weer terug. Of we morgen nog afscheid gaan nemen van Shirley, wil een van die jongens weten.

We laten het in het midden.

Picoparty

12:40
Over een uur en twintig minuten moet ik in het Spaarnegasthuis zijn. Ik heb het opgezocht, het is ongeveer veertig minuten lopen. Ik ben twee keer naar de wc geweest sinds ik om half elf, een half uur te laat, het tweede zakje picoprep innam. De vriendin die me na afloop komt ophalen appt: hoe is het met de picoparty? Ik zeg dat het meevalt. Ik zeg niet dat ik me zorgen maak over de voortgang. Een kwartier geleden dronk ik de laatste halve liter appelsap en nu zit ik te wachten tot die er weer uit komt. Ik heb niet het idee dat ik schoon ben. Ik denk dat je het zo noemt, schoon. In het boekje van de endoscopist zeggen ze dat je geen stukjes moet zien, en dat de ontlasting dezelfde kleur en substantie moet hebben als het vocht dat ik inneem. Appelsap. Als ik in de toiletpot kijk, zit dat schuim van die toiletblokjes in de weg. Ik veeg het met een opgevouwen toiletpapiertje opzij. Het water lijkt bruin, of geel. Is dit appelsap? Ik zie ook geen stukjes, maar misschien voelde ik ze wel. En is die laatste halve liter er nou al uit? Ik controleer de tijd. Bijna. Straks die veertig minuten wandelen. Ik voel geen aandrang, maar dat zegt niks met dit spul. Eerst maar even handen wassen.

14:25
Een verpleegster rijdt me met bed en al naar de behandelkamer. Ze vraagt of ik mijn voeten even binnenboord wil houden. Die heb ik aan twee kanten onder de deken  uit gestoken voor wat verkoeling. Halverwege de gang rijdt ze alsnog tegen een muur aan. ‘Oh sorry,’ zegt ze. ‘Ik was verdiept in mijn telefoon.’ Voor de deur met de behandelkamer passeer ik de jonge vrouw die voor mij aan de beurt was. Ze was vooraf erg nerveus. De verpleegster vraagt haar hoe het ging. De vrouw zegt dat het veel pijn deed. ‘Ach lieverd,’ antwoordt de verpleegster. Het bed van de zenuwachtige vrouw wordt langs me gereden. ‘Sterkte,’ zegt ze tegen me. Ze steekt haar duim op.

14:29
In de krappe behandelkamer zijn twee oudere vrouwen en een jonge vrouw druk bezig met allerlei computers en apparaten. Ze geven me alle drie een hand. Ik vergeet hun namen direct weer. Een van de oudere vrouwen zegt dat ze wat gel op mijn anus gaat smeren en voor ik kan antwoorden smeert ze inderdaad wat gel op mijn anus. De jongere vrouw zegt dat ze de dokter is en na wat vragen (nee ik werk niet dagelijks met varkens of kippen), zegt ze dat ze me het roesje gaat toedienen. Ik verwacht dat ik meteen in slaap zal vallen. Dat was de vorige keer ook zo. Maar ik blijf wakker. Tenminste, daar lijkt het op. Ik weet niet of ik fragmenten mee krijg of de hele behandeling. Een van de verpleegsters checkt mijn hartslag. De dokter zegt dat het er heel goed uit ziet. Ik kijk mee op het scherm. ‘Best sexy darmen, inderdaad,’ zeg ik. De verpleegster glimlacht: ‘Enorm sexy.’ De dokter zuigt wat gele derrie weg. ‘Sorry, de laatste appelsap,’ zeg ik. Zonder stukjes. Ik ben trots.

16.02
In de rustkamer duurt het een paar dutjes voordat het tot me door dringt dat ik zelf moet aangeven dat ik klaar ben om te gaan. Ik kleed me aan en app de vriendin dat ze me kan komen ophalen. Ze zit al om de hoek te wachten. Door het wandelen gaan mijn darmen luid tekeer. Ik zeg dat ik nog even naar de wc wil. ‘Neem je tijd,’ zegt de vriendin, en ik antwoord dat ze duidelijk de werking van picoprep onderschat. ‘Rustig aan is geen optie.’

22.30
Ik vertel mijn vriendin aan de telefoon over de middag. Ze zegt dat ze baalde dat ze me niet kon halen en dat ze nerveus werd toen het lang duurde. Ik zeg dat alles goed is met mijn darm, en vertel dan over de picoprep, de sexy darmen en de dutjes. Ze moet lachen en realiseert zich dan dat het misschien niet superhandig van mij was om een dag voor mijn picoparty voor haar en mij scherpe Indiase Tandoori te bestellen. ‘Sjongejonge Ralph,’ zegt ze, en in gedachten zie ik haar in Amsterdam haar hoofd schudden ‘Wel een mooie binnenkomer voor je, straks bij mijn familie,’ opper ik. Ik heb haar al verteld dat mijn familie een eindeloos repertoire aan Ralph-niet-zo-handig-verhalen op de plank heeft liggen. Ze vindt dat een goed idee, voor ooit.

Jong en oud tegelijk

Mijn jongste moet naar bed. Dat is al sinds ze kan praten en lopen een lange dans van haren kammen en kamer opruimen en nog even alles vertellen wat ze nog niet verteld had, en oja, nog even naar beneden om dit-en-dat-en-zus-en-zo. En zoeken naar apie. Want haar knuffel sinds de wieg is altijd kwijt. En zonder apie geen slapen. Wat zeg ik: zonder apie geen leven.

Ook nu is apie kwijt. Ik til direct geroutineerd kussens en dekbed op, maar ze houdt me tegen. ‘Dat is niet meer nodig,’ zegt ze achteloos, en met die paar woorden sluit ze haar kindertijd af. Tenminste, dat maak ik ervan, haar sentimentele vader. Ik bestudeer haar. Zou ze zich schamen en denken dat het niet meer kan? Dan moeten we het er misschien even over hebben. Moeilijk toch, dat peilen van beginnende puberbreintjes.

Een paar dagen later. Op een luie zondag hoor ik het onmiskenbare geluid van graaiende handen in de playmobilmand. Mijn VWO2-er en brugklasser zijn in de beschutting van hun warme zolder en elkaar weer even klein. Ze stellen de poppetjes weer op volgens hun oude en vaste patronen.

Ik ga op de trap zitten en luister naar hun spel. Net als geuren hebben geluiden het vermogen om je razendsnel door de tijd te laten vallen. Eerst naar hun kleuterverjaardagen met vloeren vol playmobilopstellingen. Dan door naar mijn eerste middag met een nieuwe brugklasvriend. Hij kwam bij mij, we noemden het geen afspreken of spelen meer, maar toch renden we de hele middag als basisschooljongens achter een skatebord aan. We namen telkens de tijd op met een stopwatch en schreven die dan op een wit velletje papier. Spelen. Twaalf, dertien, veertien. Het zijn verwarrende leeftijden. Te jong voor van alles, te oud voor van alles.

Net als ik denk, ‘gelukkig, het oude is nog niet helemaal afgesloten, en het nieuwe nog  niet helemaal begonnen,’ hoor ik ze alles weer in de mand gooien. ‘Saai,’ zegt een van hen. Gedecideerd wordt de mand in de hoek geschoven. Boink tegen de muur. Even later hoor ik die weerzinwekkende stem van vlogmeisje Djamilla door het trappenhuis schetteren.

Ik kijk naar mijn voeten op de onderste traptrede. En realiseer me dat de enige die tussen twee leeftijden in blijft hangen hun veel te sentimentele vader is. Zij zijn zelf precies waar ze moeten zijn: jong, oud, alles tegelijk.

 

[Deze column verscheen eerder op tishiergeenhotel]

Ik ging shoppen met de oudste en begreep niks van wat ze zei

De oudste had weer eens NIKS MEER om aan te trekken. Dus ik trok haar kast open, wees een stapel truien aan, en zei ‘En dat dan’ zoals een vader dat behoort te doen. Geheel volgens traditie werd die vraag wegge-tsss’t. Een tsss is altijd een prima argument, vindt mijn oudste.

Goed. Wij dus naar de stad. Dat was tenminste het plan, maar bij de voordeur zakte ze in elkaar: ‘Dit kan echt niet’. Ik vroeg wat ‘dit’ was, want ik zag het niet. Het was iets met haar schoenen en haar broek. Iedereen op straat zou haar uitlachen. Ik zag na haar uitleg nog steeds niet wat ‘dit’ was. ‘Dat heb je toch altijd zo?’ zei ik. Ze gaf me een oogrol. Ik vroeg of ze dacht dat iedereen op straat naar het randje tussen haar broek en haar schoenen zou kijken en zei er bij dat ik in ieder geval vermoedde van niet. Dat hielp niet. Maar ze ging toch mee. Ik zei dat ik trots op haar was. Ik denk dat ik het meende.

Het was belachelijk druk in de winkelstraat, maar de oudste vond het ‘juist heel rustig’. Ik zei dat ik in één minuut al drie keer bijna tegen iemand aan was gelopen. ‘Lekker handig van je,’ antwoordde ze en ze liep een winkel in. Ze wilde eerst even ‘scannen’. Ik vroeg wat dat was. Dat was kijken, maar dan anders. We scanden vier winkels. Na het scannen kwam het echte shoppen. Winkel één sloeg ze over, omdat die winkel écht niks voor haar was. Mij was juist opgevallen dat alle vier de winkels volstrekt inwisselbaar waren. Ik besloot deze analyse niet met haar te delen.

Ze pakte een grote tas van een rek en begon die te vullen met kleding die ze wilde passen. ‘Wat handig,’ zei ik over die tas. Ze reageerde niet. Na twee rekken draaide ze zich om en vroeg of ik ‘daar’ wilde gaan staan, omdat ze nerveus van me werd. Bij ‘daar’ wapperde ze met haar vrije hand naar een hoekje naast de trap waar nog meer vaders stonden. Ik ging niet bij ze staan, want er zijn grenzen. In de hoek die ik uitzocht was het minder druk. Dat kwam waarschijnlijk doordat boven mijn hoofd een grote luidspreker hing, waaruit muziek klonk van een genre en op een volume dat alleen bedoeld kon zijn om hangvaders weg te jagen.

Na het derde liedje mocht ik mee naar de paskamers. Ik ging zitten op een stoel naast de spiegel. Ze liet me een rij ogenschijnlijk identieke shirts en truien zien met bij elk stuk de vraag wat ik er van vond. De witte met twee blauwe strepen vond ik het leukst, zei ik, ook al zag ik het verschil met de drie andere witte truien niet echt. Als mijn lukrake mening anders was dan die van haar, schudde ze haar hoofd met een lachje. Bij één trui had ik wel meteen een duidelijke mening. Ik zei dat ze een blote navel had. ‘Ja, en?’ zei ze toen. Ik zei dat ik dat geen goed idee vond. Ze haalde haar schouders op. Een ouder meisje dat naast haar stond te passen zei tegen haar dat ze de vorige trui mooier vond. ‘Oh dank je,’ zei mijn dochter. Ze glimlachte en keek nog een keer in de spiegel.

Bij de kassa zei ze dat ze heel tevreden was. ‘Bedankt pap,’ zei ze. Ik zag dat ze die witte trui met die twee blauwe strepen had uitgekozen. En die naveltrui niet. Ik betaalde zonder daar iets over te zeggen. Thuis zei ik dat ik niemand in de stad had zien lachen om het randje tussen haar broek en haar schoenen. ‘Dat komt doordat jij nooit oplet,’ antwoordde ze.

 

Deze column verscheen eerder op tishiergeenhotel.

Moet ik ze nog lastig vallen met vaderdag?

Ik heb altijd een wat afstandelijke houding gehad tot Vaderdag. Het is toch het gekke broertje onder de feestdagen. Vaderdag past voor mij in een rijtje met Valentijnsdag, waar ik op spuug, en, en ik noem maar een dwarsstraat, de internationale dag van de wind (15 juni, geniet er alsjeblieft een beetje van, in godsnaam).

Ik ben niet de enige, denk ik. Niet voor niets zag ik afgelopen Moederdag weer veel twittervrouwen grappen maken over het vieze ontbijtje met slappe thee dat ze van hun kroost kregen. Een tweet over wéér een gekleide asbak is snel gemaakt. Een foto van de ontplofte keuken die je van je pubers gratis bij de aangebrande afbakcroissants krijgt misschien nog wel sneller.

Niet dat Moederdag en Vaderdag hetzelfde zijn. Ja, vroeger wel, toen maakten mijn dochters wat op de basisschool en giechelden ze me om half zeven wakker, net zoals ze dat bij hun moeder deden op Moederdag. Maar nu ze zijn gaan puberen, reflecteert de dag meer de relatie die ze met me hebben.

Mijn oudste laat doorgaans graag hoofdschuddend doorschemeren hoe ze mijn aanwezigheid in haar dagelijks leven ondergaat, maar hecht tegelijk erg aan traditie en duidelijk omschreven momenten van houden van: verjaardagen, kerst, oud en nieuw. En dus Vaderdag.

Mijn jongste vertelt juist het liefst de hele dag hoe blij ze is met mij, kusje hier, oh papa is zo lief daar, maar ik ken denk ik niemand die zo achteloos is voor officiële dagen.

Nou ja, ikzelf, waarschijnlijk. Ik weet daarom ook echt niet wat ik er van vind. Het is leuk als ze aan je denken, maar is het niet minder leuk als ze aan je denken omdat ze denken dat ze aan je moeten denken? Nonverbaal wordt steeds duidelijker dat ze dat inmiddels zelf ook vinden.

Maar toch. Als mijn dochters aan me denken omdat het Vaderdag is, stralen ze ineens een zachtheid en waardering naar me uit die er blijkbaar wel is, maar die er op een doordeweekse dinsdag niet zo makkelijk uit komt. En die me ontroert, en hen volgens mij ook, minstens een seconde.

Dus laat maar komen, die Vaderdag. Met of zonder cadeau. Met of zonder liedje of ontbijt. Waarschijnlijk wel een ontplofte keuken, zoals elke zondagochtend. En dan koersen we daarna onbevreesd door naar andere gedenkwaardige dagen. Donderdag over een week bijvoorbeeld. Dan is het CAPSLOCKDAG.

Benieuwd wat ik dan van ze krijg. Een oogrol, waarschijnlijk.

 

[Deze column verscheen eerder op Tishiergeenhotel.]

Raak ik ze niet langzaam kwijt?

Als mijn dochters bij hun moeder zijn is er geen kans dat ze even aanwippen. Er zit precies één Noordzeekanaal teveel tussen. Vroeger maakte dat minder uit, toen beperkte hun blik zich tot de huiskamer, de plannen van hun vader, samen naar het zwembad, het bos. Familiebezoek? Geen probleem.

Maar langzaam maar zeker en één voet voor de andere veranderen ze nu in pubers.Met puberwensen. Met een puberleven, dat groter wordt daar buiten en kleiner hier binnen, waar hun slaapkamer steeds belangrijker wordt. En waar hun ouders niet meer de maat der dingen zijn.

Geeft niks natuurlijk, ware het niet dat hun leven buitenhuis zich afspeelt in het dorp waar hun moeder is gaan wonen, aan de andere kant van dat kanaal. Daar wonen hun vriendinnen en staat hun middelbare school. Twee dingen die met de dag belangrijker worden. Ik maak het meeste van hun leven daar niet mee, dus ik ken het vooral uit de verhalen, en je weet hoe jonge meiden een verhaal vertellen. Ik denk dat ze met hun ‘en toen en toen’ zelfs van Friday the 13th een saai kabbelend beekje kunnen maken. Dus het kan zijn dat ik wel eens afhaak en essentiële informatie mis uit hun verhalen.

Verhalen die ze aan de andere kant van het kanaal waarschijnlijk niet te vertellen hebben over hun tijd bij mij: geen school en vriendinnen hier. Het is maar twintig minuten met de auto, maar voor mij is het ook een reis naar een andere dimensie, waarin ik niet thuis ben. Soms ben ik bang dat dit voor hen de andere kant op, naar mij toe, ook zo is. Af en toe,  als ze met zijn tweeën boven zitten en ik in mijn stoel voor het raam een slecht moment heb, vraag ik me af wat ik ze dan te bieden heb. Dan lummelen ze wat door het huis, netflix en youtube en uitzending gemist als hun vriend. Geen zin in dit. Geen zin in dat. Geen vriendin om even heen te fietsen.

Zijn jullie okee? – Ja hoor. *Oogrol*.

Wat gaat er om in die hoofden? Voelt mijn huis als hun Siberië? En wat moet ik dan doen? WAT MOET IK DOEN?! Kijk, ik kan mezelf die vragen wel stellen, antwoorden krijg je toch niet van pubers, nooit! Niet rechtstreeks tenminste. Het is informatie schrapen en dan puzzelen en dan is het maar de vraag of je een beetje in de buurt van iets van een waarheid komt.

Een brokje van die informatie kwam laatst, toen mijn jongste vroeg of ze een keer een weekend extra bij mij mocht zijn, omdat ze me vaak zo miste. ‘Ik heb het al aan mama gevraagd en die vindt het goed!’ Na wat heen en weer geapp met haar moeder ging op donderdag de kogel door de kerk: ‘Jij bent dit weekend bij mij lieverd,’ appte ik. ‘Oh leuk,’ was het antwoord. ‘Mag ik dan zaterdag bij N. logeren?’ N. woont in dezelfde straat als haar moeder. Ik moest er van zuchten. ‘Ja wat?’ zei mijn jongste. Haar zus viel haar bij. Ze waren hoogst verbaasd.

Toen daagde me iets van een eventuele waarheid. Ik realiseerde me dat zij die twee werelden dus helemaal niet als twee werelden ervaren. Het is voor hen één wereld, maar wel een waarin hun vader gewoon wat vaker door die tunnel heen en weer rijdt.

[deze column verscheen eerder op tishiergeenhotel]